Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Poederdonsklauwier
Poederdonsklauwier | Dryoscopus cubla
Black-Backed Puffback | Cubla Dorsinegra
De poederdonsklauwier is een zwart-witte klauwier van het bladerdak, genoemd naar de lange, donzige witte stuitveren die het mannetje in de balts opzet tot een pluizige bal op de rug. Het rode oog en de scherpe klikkende roep maken hem in bosveld en bosranden snel herkenbaar.
Geluid
Een scherpe, herhaalde tsjik-wieoo en een droog klikkende tsjak of kliek, vaak in reeksen. In de baltsvlucht hoort men een knetterend, snorrend vleugelgeluid. Paren houden contact met zachte klikken en raspende tonen.
Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm. Het mannetje is glanzend zwart op kruin, mantel en staart, met brede witte randen aan vleugeldekveren en tertials en een lichtgrijze tot witte stuit. De onderzijde is grijswit. Het oog is helder rood, de snavel zwart en zwaar met een haak. In de balts zet hij de losse witte veren van de onderrug op tot een opvallende witte bol. Het vrouwtje is grijzer en bruiner op de rug, met een witte teugel en een korte witte wenkbrauwstreep, en een oranjerood oog. Jonge vogels zijn bruiner met een donker oog en okerkleurige randen aan de vleugelveren.
Verwarringssoorten
De broebroe Nilaus afer heeft een brede witte wenkbrauwstreep en een roestrode flankstreep. De Gabonpoederdonsklauwier Dryoscopus angolensis van noordelijk Angola heeft een grijze mantel, roze poten en een warm getinte onderzijde bij het vrouwtje. De witflankvliegenvanger Batis molitor is veel kleiner, met een grijze rug en een geel oog. De tropische fiskaal Laniarius major en de waterfiskaal Laniarius ferrugineus zijn groter en donkerogig, en houden zich laag in de begroeiing op.
Leefgebied
Het bladerdak van miombo, gemengd bosveld, acaciasavanne met hoge bomen, oeverbos, kustbos en bosranden, ook in parken en tuinen met oude bomen. Foerageert actief tussen bladeren en twijgen op insecten en spinnen, vaak in gemengde foerageergroepen. Het nest is een compact kommetje van bast en spinrag in een boomvork.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het hele noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana en het noorden van Namibië, en in Zuid-Afrika van Limpopo en Mpumalanga via KwaZulu-Natal tot in de Oost-Kaap; ook in Eswatini. Ontbreekt in het droge westen, de Karoo, Lesotho en de West-Kaap. Daarbuiten van Tanzania en Kenia westwaarts tot in het zuiden van Congo-Kinshasa.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond. De klikkende roep verraadt hem eerder dan zijn uiterlijk; kijk daarna hoog in het bladerdak. In het voorjaar (september–november) is de kans groot om een mannetje in volle balts te zien, met de witte rugveren opgezet als een poederdonsje. Sluit zich graag aan bij gemengde groepen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; algemeen in bosveld en bosranden over een groot areaal. Past zich goed aan tuinen en parken met oude bomen aan. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend.
Wetenschappelijke naam
Dryoscopus cubla | (Latham, 1801)
Latham beschreef de soort in 1801 als Lanius cubla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dryoscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Dryoscopus komt van het Griekse drus, 'boom', en skopos, 'uitkijk, waarnemer': 'boomspeurder'. cubla gaat terug op Levaillants 'Le Cubla', afgeleid van een inheemse Zuid-Afrikaanse naam met een klikklank. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Knysna, West-Kaap, Zuid-Afrika.


