Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Broebroe
Broebroe | Nilaus afer
Brubru | Brubrú
De broebroe is een kleine, gedrongen klauwier van de boomkruinen in savanne en bosveld, met een brede witte wenkbrauwstreep en een roestrode streep langs de flank. Hij is vooral bekend om zijn roep: een langgerekte, rollende triller die als een verre telefoon door het bosveld klinkt.
Geluid
Het mannetje roept een langgerekte, vlakke triller, trrrrrrrrr of prrrrrr-oe, van een paar seconden, vaak met lange tussenpozen herhaald. Het vrouwtje antwoordt soms met een klagende, nasale tieuw, zodat een duet ontstaat. Verder schorre kraspende contactroepen.
Opname: Kileo Jumah — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–15 cm. Het mannetje heeft een zwarte kruin en een zwarte oogstreep, gescheiden door een brede witte wenkbrauwstreep. De rug is zwart met witte vlekken en strepen, de vleugel zwart met een lange witte baan over de dekveren en tertials. De onderzijde is wit met een opvallende kastanjeroestige streep langs de flanken. De snavel is kort, dik en zwart met een haakje. Het vrouwtje is doffer, donkerbruin in plaats van zwart, met minder rood op de flank en fijne donkere streepjes op keel en borst. Jonge vogels zijn bruiner en gevlekt. Zoekt traag en systematisch bladeren en takken af in het bladerdak, vaak hoog in acacia’s.
Verwarringssoorten
De witflankvliegenvanger Batis molitor en de priritvliegenvanger Batis pririt zijn kleiner en slanker, met een grijze rug, een zwarte borstband en geen roestrode flankstreep. De poederdonsklauwier Dryoscopus cubla mist de witte wenkbrauwstreep, heeft een rood oog en grijswitte flanken zonder roest. De zuidelijke gekraagde klauwier Lanius collaris is groter, met een lange staart, en zit open op draden en takken.
Leefgebied
Open tot halfopen bosveld met hoge bomen: acaciasavanne en doornveld, miombo, mopane en gemengd bosveld, ook oeverbos en grote tuinen in savannegebied. Foerageert in het bladerdak op rupsen, kevers en andere insecten, en sluit zich buiten de broedtijd aan bij gemengde groepen van mezen, vliegenvangers en andere klauwieren. Het nest is een klein, met spinrag bekleed kommetje in een horizontale vork hoog in een boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana en Namibië (behalve de Namib), en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Noordwest, de Kalahari van de Noord-Kaap en het noorden van KwaZulu-Natal; ook in Eswatini. Ontbreekt in Lesotho, de West-Kaap en het grootste deel van de Karoo. Daarbuiten in savanne over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Somalië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond; de triller is het beste herkenningsteken en draagt ver. Volg het geluid en zoek hoog in de kruin van een acacia of mopane naar een kleine vogel die lang stil zit en dan een eindje verschuift. In de droge tijd sluit hij aan bij gemengde foerageergroepen, en wie zo’n groep volgt, ziet hem vaak van dichtbij.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; algemeen tot vrij algemeen in geschikt bosveld en over een zeer groot areaal verspreid. Plaatselijk heeft de soort te lijden van het kappen van grote bomen voor brandhout en landbouw, maar er zijn geen aanwijzingen voor een sterke achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Nilaus afer | (Latham, 1801)
Latham beschreef de soort in 1801 als Lanius afer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nilaus werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Nilaus is een anagram van Lanius, de geslachtsnaam van de klauwieren. afer is Latijn voor 'Afrikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


