Alle soorten › Zangvogels › Rotsspringers › Roodborstrotsspringer
Roodborstrotsspringer | Chaetops aurantius
Drakensberg Rockjumper | Saltarrocas del Drakensberg
De roodborstrotsspringer is de hooggebergtetegenhanger van de Kaapse rotsspringer: een langstaartige, contrastrijk getekende vogel die over keien en grashellingen springt in plaats van te vliegen. Hij leeft in kleine familiegroepen waarin jongen uit eerdere nesten helpen. De soort komt alleen voor in Lesotho en de omringende Drakensberg.
Geluid
Een hoge, doordringende reeks fluittonen, pie-pie-pie-pie, vaak iets dalend, die ver over de hellingen draagt maar moeilijk te lokaliseren is. Groepsleden houden contact met een droog, snel geratel tsjrrrr. Bij onraad roepen ze luid vanaf een uitstekend rotsblok.
Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
21–25 cm, waarvan een groot deel staart. Het mannetje heeft een grijze kruin, een zwart gezicht en een zwarte keel met een smalle witte wenkbrauwstreep en een brede witte baardstreep. Mantel en rug zijn grijs met zwarte strepen, de vleugels donker. Borst, buik en stuit zijn helder oranje tot oranjebeige. De lange staart is zwart met witte punten aan de buitenste pennen. Het oog is rood, snavel en poten zijn zwart. Het vrouwtje mist het zwart op keel en gezicht: ze is grijsbruin van boven en lichtbeige tot bleekoranje van onderen, met een oranje stuit. Beweegt met lange sprongen over de rotsen en houdt de staart daarbij vaak omhoog.
Verwarringssoorten
De Kaapse rotsspringer Chaetops frenatus is dieper roestrood van onderen en heeft een donkerder rug; de verspreidingsgebieden raken elkaar niet, dus de plaats is doorslaggevend. De langteenrotslijster Monticola explorator en de Kaapse rotslijster Monticola rupestris hebben een blauwgrijze kop zonder wit in het gezicht, een kortere, oranje staart en vliegen gewoon. De streeptapuit Campicoloides bifasciatus heeft ook een zwart gezicht met witte strepen, maar een korte staart en een kaneelbruine onderzijde zonder de lange zwart-witte staart.
Leefgebied
Rotsige hellingen en richels met kort grasland en lage heide van erica's en Helichrysum, meestal boven ongeveer 2000 meter, plaatselijk in de Oost-Kaap ook lager. Zoekt op de grond tussen stenen en graspollen naar insecten, spinnen en kleine hagedissen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch voor het hoogland van Lesotho en de aangrenzende Drakensberg in Zuid-Afrika: de escarpment van KwaZulu-Natal, de hooglanden van de noordoostelijke Oost-Kaap (Witteberge, Barkly East, omgeving Rhodes en Naude's Nek) en de randen van de oostelijke Vrijstaat. Buiten dit gebied komt de soort nergens voor.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het bekendst is de top van de Sani Pass, waar groepjes vaak langs de weg vlak onder en boven de grenspost zitten; ook de passen rond Rhodes (Naude's Nek, Tiffindell) zijn betrouwbaar. Kom vroeg op een windstille ochtend en luister naar de hoge fluittonen. Bij mist en harde wind blijven de vogels stil tussen de rotsen.
Staat van instandhouding
Gevoelig. Het areaal is klein en de aantallen lijken af te nemen. De soort is gebonden aan koele hoogvlakten en kwetsbaar voor klimaatopwarming, die het geschikte leefgebied naar steeds hogere, kleinere oppervlakken dringt. Overbegrazing en te frequente branden verarmen bovendien de lage vegetatie.
Wetenschappelijke naam
Chaetops aurantius | Layard, 1867
Layard beschreef de soort in 1867 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Chaetops werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Chaetops komt van het Griekse khaitē, 'haar', en ōps, 'gezicht': 'borsteloog', naar de wimperachtige veertjes rond het oog (Hockey et al., 2005). aurantius is Latijn voor 'oranje' — naar de oranje borst en buik van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bij Graaff-Reinet, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.

