Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Kleine tsjagra

Kleine tsjagra | Bocagia minuta

Marsh Tchagra | Chagra Marismeña

De kleine tsjagra is een tsjagra van natte graslanden en vleien, warm roodbruin met een zwarte kap en een rood oog. In het gebied is hij schaars en plaatselijk, en hij verraadt zich vooral in de baltsvlucht boven het hoge gras.

Kleine tsjagra (Bocagia minuta)
Foto: Nigel Voaden from UK — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de baltsvlucht stijgt het mannetje boven het gras met klapperende vleugels en laat een reeks heldere, fluitende tonen horen, tsjiu-tsjiu-tsjiu of twie-oe-twie-oe. Verder raspende en kwetterende roepen uit dekking, soms in duet.

Luister: AlarmroepXC113273

Opname: Brian Cox — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm. De kruin is zwart; bij de zuidelijke vorm anchietae loopt het zwart door tot op de nek en bovenmantel. De rug is warm roodbruin, de vleugel helder kaneelrood. De onderzijde is warm okerbruin, lichter op de keel. De staart is zwartachtig met lichte punten. Het oog is rood, de snavel zwart, zwaar en licht gehaakt. Het vrouwtje heeft vaak een smalle lichte wenkbrauwstreep onder de zwarte kruin. Jonge vogels hebben een bruinere kruin en een hoornkleurige snavel. Houdt zich laag en verborgen in dicht gras en riet.

Verwarrings­soorten

De zwartkruintsjagra Tchagra senegalus is groter en grijzer, met een brede witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep, en leeft in droger bosveld. De bruinkoptsjagra Tchagra australis heeft een bruine kruin, een witte wenkbrauwstreep en een grijsachtige onderzijde. Geen van beide heeft de egaal roodbruine rug met zwarte kap.

Leefgebied

Hoog, ruig gras, zegge, adelaarsvaren en struweel in vleien, moerasranden en natte depressies, ook ruige randen van plantages en verlaten akkers; in Zimbabwe vooral in het hoogland. Foerageert op of vlak boven de grond op insecten, vooral sprinkhanen en kevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied plaatselijk in het hoogland van centraal Angola, in het noorden en westen van Zambia, in Malawi, en in het zuiden van zijn areaal schaars in de Oostelijke Hooglanden van Zimbabwe en aangrenzend centraal Mozambique. Daarbuiten over grote delen van tropisch Afrika, van West-Afrika tot Ethiopië, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, maar het best in het regenseizoen (november–maart), wanneer de mannetjes boven vleien en natte graslanden baltsen. Zoek vroeg in de ochtend langs de randen van begroeide vleien en wacht op een vogel die kort boven het gras uitkomt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid in tropisch Afrika, maar aan de zuidrand van het areaal schaars en plaatselijk. Het droogleggen en afbranden van vleien, overbegrazing en omzetting in akkers en plantages zijn plaatselijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Bocagia minuta | (Hartlaub, 1858)

Hartlaub beschreef de soort in 1858 als Telephonus minutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bocagia werd in 1894 ingevoerd door Shelley. Bocagia eert de Portugese zoöloog José Vicente Barbosa du Bocage (1823–1907), kenner van de fauna van Angola. minuta is Latijn voor 'klein' — het is de kleinste tsjagra. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ashanti, Ghana (onzeker).