Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Zwartkruintsjagra
Zwartkruintsjagra | Tchagra senegalus
Black-Crowned Tchagra | Chagra del Senegal
De zwartkruintsjagra is de grootste en meest opvallende tsjagra van het gebied, met een zwarte kruin boven een brede witte wenkbrauwstreep en roestrode vleugels. Zijn melodieuze, afdalende fluitzang is een van de karakteristieke geluiden van het bosveld in de regentijd.
Geluid
Een luide, vloeiende en afdalende fluitzang, tsjee-tsjarie, tsjaroe, tsjieroe-tsjieroe-tsjieroe, vaak vanaf een uitkijkpost of in een baltsvlucht met ratelende vleugels. Paren zingen ook in duet, waarbij het vrouwtje een snorrende tsjrrrrr toevoegt. Bij onraad harde, schorre roepen.
Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
21–23 cm. De kruin is zwart van voorhoofd tot nek, met daaronder een brede witachtige tot bleek okerkleurige wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep. De rug is grijsbruin, de vleugel helder roestrood. De onderzijde is lichtgrijs met een bleek okerkleurige waas. De staart is zwart met brede witte punten, goed zichtbaar in de vlucht. De snavel is zwaar en zwart, het oog donker. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een bruinige kruin en een hoornkleurige snavel. Foerageert veel op de grond en schiet dan laag naar dekking.
Verwarringssoorten
De bruinkoptsjagra Tchagra australis is kleiner, met een bruine kruin die door een smalle zwarte lijn van de witte wenkbrauwstreep is gescheiden. De Kaapse tsjagra Tchagra tchagra heeft eveneens een bruine kruin, een langere snavel en een minder contrastrijke kop. De kleine tsjagra Bocagia minuta heeft een zwarte kap zonder witte wenkbrauwstreep en een roodbruine rug.
Leefgebied
Open bosveld en savanne met een ondergroei van gras en struiken: acaciasavanne, miombo, mopane en gemengd bosveld, ook ruige oude akkers, bosranden en struweel langs rivieren. Foerageert op de grond en in lage struiken op insecten, vooral sprinkhanen, kevers en rupsen, en soms kleine hagedissen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana en het noorden van Namibië, en in Zuid-Afrika van Limpopo, Mpumalanga en Noordwest via KwaZulu-Natal tot in de Oost-Kaap; ook in Eswatini. Ontbreekt in het droge westen, de Karoo, Lesotho en de West-Kaap. Daarbuiten over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, en verder in Noordwest-Afrika en het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond; het meest opvallend in het voorjaar en de regentijd (september–februari), wanneer hij zingt en baltst. Luister bij zonsopkomst naar de afdalende fluitzang en zoek naar een vogel die van een struik opvliegt, zingend boven de begroeiing uitstijgt en met gespreide staart weer neerkomt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; algemeen over een zeer groot areaal en tolerant voor matig verstoord bosveld en oude akkers. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend.
Wetenschappelijke naam
Tchagra senegalus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Lanius senegalus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tchagra werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Tchagra gaat terug op 'Tchagra' van Levaillant (1800), een klanknabootsing van de aanhoudende roep 'tsj tsja tsja gra' van de Zuidelijke tsjagra. senegalus betekent 'uit Senegal', naar het gebied waar de eerst beschreven vogels vandaan kwamen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


