Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Tropische fiskaal
Tropische fiskaal | Laniarius major
Tropical Boubou | Bubú Tropical
De tropische fiskaal is de noordelijke tegenhanger van de waterfiskaal: zwart van boven, wit van onderen met een zachtroze waas, en vooral bekend om zijn duetten. De klokachtige fluittonen van het mannetje en het schorre antwoord van het vrouwtje zijn in bosveld en langs rivieren van Angola tot Mozambique een vertrouwd ochtendgeluid. In oudere literatuur staat hij als Laniarius aethiopicus.
Geluid
Duetten die zo strak zijn dat ze als één vogel klinken: het mannetje fluit een of twee heldere, klokachtige tonen als hoe-hoe, boe-oe of een oplopend hoo-wiet, het vrouwtje antwoordt meteen met een schor kwee, een klik of een ratelend tsjrrr. Het tempo is sneller en regelmatiger dan bij de waterfiskaal, en het repertoire verschilt per streek. Bij onraad een harde, raspende ratel.
Opname: Jens Kirkeby — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
21–24 cm. Kop, rug, vleugels en staart zijn glanzend blauwzwart, met een lange witte streep over de vleugel. De onderzijde is wit, bij verse vogels met een zachtroze of lichtbeige waas op borst en flanken; de flanken zijn nooit roestkleurig. De snavel is zwaar, zwart en gehaakt, het oog donker. De seksen zijn vrijwel gelijk. Jonge vogels zijn bruinzwart van boven met lichte vlekjes en vaalgeel met fijne bandering van onderen. Hij beweegt laag en sluipend door dichte begroeiing.
Verwarringssoorten
De waterfiskaal Laniarius ferrugineus, die in het oosten van Zimbabwe en in centraal Mozambique aansluit, heeft warm roestkleurige buik en flanken. De moerasfiskaal Laniarius bicolor van de Okavango, de Caprivi en de Boven-Zambezi is zuiver wit van onderen zonder roze waas, met een ander duet. De poederdonsklauwier Dryoscopus cubla is kleiner, met een rood oog en een wit stuitkussen. Fülleborns fiskaal Laniarius fuelleborni van de bergbossen in het noorden van Malawi is geheel zwartgrijs.
Leefgebied
Dicht struweel in vrijwel alle bosrijke landschappen: oeverbos en galerijbos langs rivieren, dichte plekken in miombo en gemengd bosveld, bosranden, termietenheuvels met struikgewas, ruige tuinen en verlaten akkers. Foerageert op en vlak boven de grond, op insecten, andere ongewervelden, kleine gewervelden en vruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Algemeen in het noorden van het gebied: vrijwel heel Angola behalve de kale woestijn in het zuidwesten, heel Zambia en Malawi, het noorden en midden van Mozambique, het noorden en oosten van Zimbabwe en de Zambezivallei, en in het noorden van Botswana (Chobe, Linyanti, randen van de Okavango) en de Zambezi-regio en Kavango van Namibië. Naar het zuiden wordt hij vervangen door de waterfiskaal. Daarbuiten door tropisch Afrika van West-Afrika tot Oeganda, Kenia en Tanzania.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond, het best bij dageraad en in de vroege ochtend langs beboste rivieroevers en in dicht struikgewas. Volg het duet en kijk laag in de struiken; de vogels komen vaak kort op een open tak zitten als ze op elkaar reageren. In gebieden waar hij naast de waterfiskaal voorkomt, is de kleur van de flanken het beste kenmerk.
Staat van instandhouding
Niet apart door de IUCN beoordeeld; hij wordt gerekend tot de Ethiopische fiskaal in ruime zin (Laniarius aethiopicus, niet bedreigd). De soort is in een groot deel van zijn verspreidingsgebied algemeen, verdraagt veel verstoring en leeft ook in tuinen en secundaire begroeiing. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend.
Wetenschappelijke naam
Laniarius major | (Hartlaub, 1848)
Hartlaub beschreef de soort in 1848 als Telephonus major; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laniarius werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Laniarius komt van het Latijnse lanius, 'slager', dezelfde stam als bij de klauwieren — naar de haakvormige snavel en de gewoonte om prooien op doorns te spietsen. major is Latijn voor 'groter', ter onderscheiding van verwante, kleinere fiskalen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Elmina, Ghana.


