Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Burchells fiskaal

Burchells fiskaal | Laniarius atrococcineus

Crimson-Breasted Shrike | Bubú Pechirrojo

Burchells fiskaal is een van de opvallendste vogels van het Kalahari-doornveld: glanzend zwart van boven, met een witte vleugelstreep, en van onderen fel scharlakenrood. In het droge, stoffige acaciaveld lijkt hij bijna onwerkelijk. Zoals zijn verwanten laat hij zich meestal eerst horen, met een duet vanuit een doornstruik.

Burchells fiskaal (Laniarius atrococcineus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Duetten waarin het mannetje een vloeiend, helder kwik-kwiew of kwie-kwip fluit en het vrouwtje onmiddellijk antwoordt met een droog, schor tsjrrrk of een klik. Daarnaast een harde, schorre ratel bij onraad en zachte, keelachtige roepen tussen de partners.

Luister: DuetXC960874

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–23 cm. Kop, rug, vleugels en staart zijn glanzend zwart, met een lange witte streep over de vleugel. De hele onderzijde, van kin tot onderstaartdekveren, is helder karmozijn- tot scharlakenrood. De snavel is zwaar, zwart en gehaakt, het oog donker. De seksen zijn gelijk. Zeldzaam komt een variant voor met een gele in plaats van rode onderzijde. Jonge vogels zijn grijsbruin en fijn gebandeerd, met hier en daar roze of rode veren die in de loop van het eerste jaar toenemen. Hij foerageert veel op de grond onder struiken, maar zit ook open in een acacia.

Verwarrings­soorten

In het gebied is geen andere vogel met deze combinatie van zwarte bovendelen en een rode onderzijde. De moerasfiskaal Laniarius bicolor en de tropische fiskaal Laniarius major hebben dezelfde tekening, maar zijn wit van onderen; het gele type kan op het eerste gezicht aan een van beide doen denken. Jonge vogels zonder rood lijken op een jonge waterfiskaal Laniarius ferrugineus. De zuidelijke gekraagde klauwier Lanius collaris is wit van onderen, met een lange staart, en zit open op draden en paaltjes.

Leefgebied

Droog acaciaveld en doornbos, vooral in de Kalahari en op zandgrond met camel thorn en andere acacia’s, ook langs droge rivierbeddingen met hoge bomen en in boerenland en tuinen met doornstruiken. Foerageert op insecten op de grond en in lage struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel beperkt tot het droge binnenland van zuidelijk Afrika: het grootste deel van Namibië behalve de kale kustwoestijn, vrijwel heel Botswana, het noorden en noordwesten van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, Noordwest, het westen van Limpopo, het noordwesten van de Vrijstaat), het zuidwesten van Zimbabwe, het zuiden van Angola en het uiterste zuidwesten van Zambia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Zeer goed te zien in het Kgalagadi Transfrontier Park, de Central Kalahari en Etosha, vaak rond kampen en waterputten. Luister naar het duet en kijk laag onder de acacia’s; de rode borst is ook op afstand onmiskenbaar zodra de vogel zich omdraait.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in zijn verspreidingsgebied. De soort verdraagt veeteelt en bosveld dat door struikverdichting dichter wordt, en er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Laniarius atrococcineus | (Burchell, 1822)

Burchell beschreef de soort in 1822 als Lanius atrococcineus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laniarius werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Laniarius komt van het Latijnse lanius, 'slager', dezelfde stam als bij de klauwieren — naar de haakvormige snavel en de gewoonte om prooien op doorns te spietsen. atrococcineus komt van het Latijnse ater, 'zwart', en coccineus, 'scharlakenrood' — naar de zwarte bovendelen en de felrode onderzijde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij de samenvloeiing van Vaal en Oranje, Zuid-Afrika.