Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Antarctische prion

Antarctische prion | Pachyptila desolata

Antarctic Prion | Prión Antártico

De Antarctische prion is de talrijkste prion van de Zuidelijke Oceaan en in de winter de prion die het meest voor de Kaap wordt gezien, soms in zwermen van honderden vogels die laag en zwenkend over de golven jagen.

Antarctische prion (Pachyptila desolata)
Foto: Stefan Brending (2eight) — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgzaam. Op de broedplaatsen 's nachts een koerend, kakelend koo-koo-kuk uit de holen.

Luister: ZangXC555374

Opname: Émile Brisson-Curadeau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 26 cm, een middelgrote prion met een ronde kop. De bovendelen zijn blauwgrijs met een duidelijke zwarte M over de vleugels. De kop toont een donkere oogstreep, een witte wenkbrauwstreep en een vrij donkere kopzijde; op de zijkant van de borst een opvallende grijze halve kraag, vaak breder dan bij de andere prionen. De onderdelen zijn wit. De snavel is blauw, matig breed en duidelijk smaller dan bij de Salvins prion. De staart heeft een smalle tot matig brede zwarte eindband. Vliegt snel en grillig, vaak in grote groepen.

Verwarrings­soorten

De Salvins prion (Pachyptila salvini) is iets groter, met een bredere snavel; de twee zijn op zee zelden met zekerheid te scheiden. De dunbekprion (Pachyptila belcheri) is lichter, met een smallere snavel, een brede witte wenkbrauwstreep en een zwakkere halve kraag. De duifprion (Pachyptila turtur) is kleiner en lichter, met een veel bredere zwarte staartpunt. De blauwe stormvogel (Halobaena caerulea) heeft een witte staartpunt.

Leefgebied

Koude Antarctische en subantarctische oceaan, tot aan de rand van het pakijs; in de winter noordwaarts tot boven de koele wateren van de Benguelastroom. Foerageert vooral op krill en roeipootkreeftjes, al fladderend of zwemmend aan het oppervlak. Broedt in holen en spleten op subantarctische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied een wintergast ver voor de kust van de West- en Zuid-Kaap, in wisselende aantallen en in sommige jaren talrijk, schaarser oostwaarts tot KwaZulu-Natal en noordwaarts tot voor Namibië; na stormen soms in aantal aangespoeld. Broedt niet op de Prins Edwardeilanden. Daarbuiten broedt de soort op Zuid-Georgia, de Zuidelijke Orkney- en Shetlandeilanden, de Crozet-, Kerguelen- en Heardeilanden, Macquarie en de Aucklandeilanden.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Winterse pelagische tochten vanuit Kaapstad naar de trawlers op het continentale plat leveren vaak prionen op; de meeste zijn Antarctische prionen. Fotografeer vogels van boven en opzij: snavelbreedte, halve kraag en staartband bepalen samen de determinatie. Dode vogels op de vloedlijn na een koufront zijn de gemakkelijkste manier om de soort te leren kennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; met vele miljoenen paren een van de talrijkste zeevogels ter wereld. Plaatselijk vormen ingevoerde ratten, katten en muizen op de broedeilanden een bedreiging, en op lange termijn veranderingen in de krillvoorraad door klimaatverandering.

Wetenschappelijke naam

Pachyptila desolata | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria desolata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Pachyptila komt van het Griekse pakhus, 'dicht, dik', en ptilon, 'veer' — naar het dichte, zachte verenkleed van de prions. desolata verwijst naar Desolation Island, de naam die James Cook gaf aan de Kerguelen, waar het typeexemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kerguelen.