Alle soorten › Stormvogelachtigen
Stormvogelachtigen | Procellariiformes
Tubenoses | Petreles y pardelas
Buisneuzen: de neusgaten liggen in hoornbuizen op of naast de snavel, en de snavel zelf is uit een aantal aparte hoornplaten opgebouwd met een haak aan de punt. Ze hebben een voor vogels ongewoon goed reukvermogen en vinden voedsel over grote afstand op de geur; boven elk oog zit een zoutklier die het overtollige zeezout via de snavel afvoert. In de voormaag maken ze een olieachtig concentraat, dat dient als voedsel voor het jong en als afweer tegen indringers. Ze komen alleen aan land om te broeden, leggen één ei dat bij verlies niet wordt vervangen, en broeden pas na een reeks jaren voor het eerst.
Families in deze orde
- Albatrossen | Diomedeidae12 soortenRuim twintig soorten in vier geslachten. De familie leeft vooral op de zuidelijke oceanen, met een paar soorten in de noordelijke Stille Oceaan. De grote albatrossen hebben de grootste vleugelspanwijdte van alle levende vogels, tot ruim drie meter. De vleugels zijn lang en smal. Een pees in het schoudergewricht houdt ze gestrekt zonder spierkracht. Zo kunnen albatrossen urenlang zonder vleugelslag zweven. Ze benutten het verschil in windsnelheid vlak boven de golven en wat hoger in de lucht, en leggen zo op één foerageertocht duizenden kilometers af. Zoals alle stormvogelachtigen hebben ze buisvormige neusgaten, bij albatrossen als twee aparte buisjes aan weerszijden van de snavel. Ze ruiken uitstekend en vinden zo voedsel over grote afstand. Zoutklieren boven de ogen scheiden overtollig zout af. Ze eten vooral inktvis, vis, krill en aas, en pakken die van het wateroppervlak, vaak 's nachts. Paren blijven hun leven lang bij elkaar. Voordat ze gaan broeden, voeren jonge vogels jarenlang ingewikkelde dansen op met snavelklepperen, uitgespreide vleugels en luide roepen naar de hemel. De eerste broedpoging volgt vaak pas na vijf tot vijftien jaar. Er komt één ei, op een nestheuvel van modder en planten of op een richel, in kolonies op afgelegen subantarctische eilanden. Bij de grootste soorten duurt één broedcyclus bijna een jaar, zodat ze na een geslaagd jaar een jaar overslaan. Albatrossen kunnen meer dan zestig jaar oud worden. Het is een van de meest bedreigde vogelfamilies ter wereld: de meeste soorten zijn bedreigd, vooral doordat ze in de longline- en sleepnetvisserij verdrinken.
- Noordelijke stormvogeltjes | Hydrobatidae3 soortenEven klein, maar met langere, smallere en scherper gepunte vleugels en korte poten die in de vlucht niet voorbij de staart komen; de vlucht is daardoor onregelmatig en vleermuisachtig, met slagen en glijstukken door elkaar. Ze pikken hun voedsel al hoverend of in het voorbijgaan van het oppervlak, in plaats van er langdurig op te trappelen. 's Nachts laten ze vanuit de nestholte en boven de kolonie snorrende en ratelende reeksen horen; de vogels zelf ruiken sterk muskusachtig, een geur die aan het nest blijft hangen.
- Zuidelijke stormvogeltjes | Oceanitidae5 soortenDe kleinste zeevogels van de gids, met opvallend lange, dunne poten die in de vlucht voorbij de staart uitsteken, en betrekkelijk korte, ronde vleugels. Ze foerageren vlak op het wateroppervlak: de vleugels omhoog, de voeten trappelend of huppend op het water, terwijl ze plankton en olieachtige resten uit de bovenste laag pikken. Ze broeden in kolonies in holen en rotsspleten op eilanden en komen daar alleen in het donker, zodat er overdag niets van te zien is.
- Pijlstormvogels | Procellariidae33 soortenMiddelgrote tot grote zeevogels met een stevige haaksnavel en lange, smalle vleugels die in de glijvlucht stijf en recht worden gehouden: ze scheren laag over de golven en gebruiken het windverschil vlak boven het water om zonder vleugelslag vooruit te komen. Het voedsel wordt van het oppervlak gegrepen of onder water achterna gezwommen, waarbij verschillende soorten met halfgevouwen vleugels tot tientallen meters diep duiken. De poten staan ver naar achteren, zodat ze op het land schuifelen en zich met de borst afzetten; genesteld wordt in zelfgegraven holen of rotsspleten op eilanden. Het jong wordt volgestopt met olierijk voedsel tot het zwaarder is dan de ouders en daarna aan zichzelf overgelaten.