Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Arnots miertapuit

Arnots miertapuit | Myrmecocichla arnotti

Arnot's Chat | Zorzal Hormiguero de Arnot

Arnots miertapuit is de glanzend zwarte tapuit van mopane- en miombobos, met een opvallend witte kruin bij het mannetje en een witte keel bij het vrouwtje. Paren foerageren op de kale grond tussen de bomen en vliegen bij verstoring naar een lage tak of dode stam. Het is een van de kenmerkende vogels van het mopaneveld.

Arnots miertapuit (Myrmecocichla arnotti)
Hoofdfoto · Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een zacht, hoog fluitend fwiie en een kort tsjik als contactroep. De zang is een rustige reeks heldere fluittonen en piepende noten, soms met nabootsingen, meestal vanaf een tak of een termietheuvel gezongen.

Luister: RoepXC745577

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Een compacte tapuit van 16 tot 18 cm. Het mannetje is glanzend zwart met een zuiver witte kruin en voorhoofd en een witte vlek op de kleine vleugeldekveren, die in vlucht als een witte schouderband zichtbaar is. Het vrouwtje heeft een zwarte kruin, maar een witte keel en bovenborst, aan de onderrand vaak zwart gevlekt, en dezelfde witte schoudervlek. Jonge vogels zijn doffer zwart, soms met een enkele witte veer op kop of keel. Er is geen wit in stuit of staart. Snavel en poten zijn zwart. Beweegt op de grond met korte sprongen en schokt de vleugels bij het landen.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de zwarte miertapuit (Myrmecocichla nigra) van Angola en Zambia heeft alleen een witte schoudervlek en geen witte kruin, en leeft in open grasland, niet in bos. De Kaapse miertapuit (Myrmecocichla formicivora) is bruinzwart zonder wit op de kop en toont witte handpenvensters in vlucht. De bergtapuit (Myrmecocichla monticola) heeft een witte stuit en witte staartzijden en leeft in rotsig terrein. De Kaapse drongovliegenvanger (Melaenornis pammelaina) is slanker, zonder enig wit, en jaagt vanaf een tak.

Leefgebied

Open mopane- en miombobos met kale of kort begroeide bodem, vaak na een brand of op plekken met veel omgevallen hout en dode bomen. Foerageert op de grond op mieren, termieten en andere insecten. Nestelt in een boomholte, vaak een oud spechtengat of een spleet in een dode stam.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo en het noorden van het Krugerpark), in Zimbabwe, het oosten en noorden van Botswana, het midden en noorden van Mozambique, in Zambia en in het zuiden van Malawi; in Angola vertegenwoordigd door de ondersoort harterti in het binnenland. Daarbuiten in het zuiden van Congo-Kinshasa en in Tanzania, waar de vorm collaris (Ruaha-miertapuit) soms als aparte soort wordt beschouwd.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd of wandel door mopanebos in het noorden van het Krugerpark, bij Punda Maria en Pafuri, of in de Zambezivallei in Zimbabwe, en let op zwarte vogels die van de grond opvliegen naar een dode tak. Een paar blijft doorgaans binnen hetzelfde stuk bos; de witte kop van het mannetje is op afstand goed te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Lokaal gaat de soort achteruit waar mopane- en miombobos wordt gekapt voor houtskool en landbouw, en waar dode bomen met nestholten worden verwijderd. In beschermde gebieden zijn de aantallen stabiel.

Wetenschappelijke naam

Myrmecocichla arnotti | (Tristram, 1869)

Tristram beschreef de soort in 1869 als Saxicola arnotti; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myrmecocichla werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Myrmecocichla komt van het Griekse myrmex, 'mier', en kichle, 'lijster' — een 'mierenlijster', naar het foerageren op mieren en termieten. arnotti eert de Kaapse jurist en natuurliefhebber David Arnot (1821–1894), agent van de Griqua; Tristram meende dat hij het type had verzameld en spelde de naam als 'Arnott'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Victoriawatervallen, Zimbabwe.