Alle soorten › Zangvogels › Rupsvogels › Bosrupsvogel
Bosrupsvogel | Ceblepyris caesius
Grey Cuckooshrike | Oruguero Gris
De bosrupsvogel is een egaal blauwgrijze, slanke vogel van het bladerdak van montaan en kustbos. Hij beweegt traag en weloverwogen door de kruinen en valt minder op dan zijn formaat doet verwachten; vaak verraadt alleen een ijl, hoog fluitje zijn aanwezigheid.
Geluid
Een dun, hoog en langgerekt tsiiieeeuw, iets dalend en zo ijl dat het makkelijk wordt gemist; soms een zachte, piepende reeks. Over het algemeen een stille vogel.
Opname: James Bradley — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
26–28 cm, slank met een lange, afgeronde staart. Geheel zacht blauwgrijs, iets lichter op buik en onderstaartdekveren; vleugelpennen en staart zijn donkerder leigrijs. De teugel is zwart en contrasteert met een smalle witte oogring, wat een 'bebrild' gezicht geeft. Snavel en poten zijn zwart, het oog donker. Het vrouwtje heeft een grijzere, minder zwarte teugel. Jonge vogels zijn fijn wit en donker gebandeerd op de onderzijde en hebben witte randen aan de vleugeldekveren.
Verwarringssoorten
De witborstrupsvogel Ceblepyris pectoralis heeft een witte buik en borst en leeft in open bosveld in plaats van gesloten woud. De blauwgrijze vliegenvanger Fraseria caerulescens is veel kleiner, met een kortere staart en een actieve vliegenvangende jacht. De meesvliegenvanger Fraseria plumbea is ook kleiner en spreidt telkens de staart met witte randen.
Leefgebied
Het bladerdak en de middenlaag van afromontaan bos, mistgordelbos en groenblijvend kustbos, ook hoge rivierbossen en oude aanplant van inheemse bomen. Zoekt langzaam tussen het blad naar rupsen, vooral behaarde, en andere grote insecten. Sluit zich graag aan bij gemengde foerageergroepen. In de winter trekt een deel naar lager gelegen bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In Zuid-Afrika van de Oost-Kaap door KwaZulu-Natal en Eswatini naar de randbossen van Mpumalanga en Limpopo; verder in het oosten van Zimbabwe (Nyanga, Vumba, Chimanimani), de hooglanden van Mozambique (Gorongosa, Chimanimani), de bergen van Malawi en noordoostelijk Zambia (Nyika, Mafinga), en in de randbossen en hooglanden van West-Angola. Buiten het gebied in de bergbossen van Oost-Afrika tot Ethiopië en in Kameroen.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond in bossen als Karkloof, Woodbush of de Vumba. Kijk bij een gemengde foerageergroep in de kruinen naar een grijze vogel die langzaam van tak naar tak schuift en lang stilzit. In de winter is hij gemakkelijker te vinden in kustbossen in KwaZulu-Natal.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en op geschikte plaatsen vrij algemeen. De soort is afhankelijk van inheems bos en verdwijnt waar dat wordt vervangen door plantages van exoten; versnippering van de kleine bosrestanten is plaatselijk een risico.
Wetenschappelijke naam
Ceblepyris caesius | Lichtenstein, 1823
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ceblepyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Ceblepyris gaat terug op het Griekse keblēpuris, een niet te identificeren vogel uit de klassieke literatuur (Aristophanes); letterlijk misschien 'vuurkop'. caesius is Latijn voor 'blauwgrijs' — naar het egaal blauwgrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oost-Kaap, Zuid-Afrika.

