Alle soorten › Futen › Futen › Geoorde fuut
Geoorde fuut | Podiceps nigricollis
Black-Necked Grebe | Zampullín Cuellinegro
De geoorde fuut is een kleine, sociale fuut van zoute en brakke wateren, met een rood oog en in het broedkleed een waaier van gouden veren achter het oog. In zuidelijk Afrika leeft hij nomadisch en duikt hij in wisselende aantallen op waar pannen en zoutwinningsbekkens net goed gevuld zijn.
Geluid
Een zacht, fluitend en oplopend poo-iiet en een hoog, kort getriller tijdens de balts, vooral in broedkolonies. Buiten de broedtijd vrijwel stil.
Opname: Julien Piette — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 30 cm, iets groter en slanker dan de dodaars, met een steil voorhoofd, een hoge kruin en een dunne, licht opgewipte donkere snavel. Het oog is helder karmijnrood. In het broedkleed zijn kop, hals en rug zwart, de flanken roestbruin en staat achter het oog een losse waaier van goudgele oorpluimen. Buiten de broedtijd is de vogel zwart-grijs en wit: donkere kruin tot onder het oog, witte keel en wangen, een grijze hals en witte onderdelen. De seksen zijn gelijk. Zwemt vaak met opgezette achterveren en duikt veel.
Verwarringssoorten
De dodaars (Tachybaptus ruficollis) is kleiner en ronder, met een rechte snavel met gele basisvlek, een licht oog en een kastanjerode hals in het broedkleed; in winterkleed valer beige, nooit zo scherp zwart-wit. De fuut (Podiceps cristatus) is veel groter, met een lange hals en een dolkvormige roze snavel.
Leefgebied
Ondiepe, voedselrijke zoute en brakke pannen, zoutwinningsbekkens, kustlagunes, rioolzuiveringsvijvers en tijdelijke plassen op het Hoogveld, soms ook op zee vlak voor de kust. Duikt naar waterinsecten, larven, garnaaltjes en kleine weekdieren. Broedt in kolonies met drijvende nesten, vaak kort nadat een pan zich na zware regen heeft gevuld.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Het talrijkst in de West-Kaap, met grote groepen op de vijvers van Strandfontein, de zoutpannen van de westkust en de Bergrivier, en op de Namibische kust bij de zoutwinning van Walvisbaai en Swakopmund. Verder onregelmatig op pannen en dammen van het Hoogveld in Gauteng, de Vrijstaat, Mpumalanga en Noordwest, in Lesotho en de Oost-Kaap, en sporadisch in Botswana en Zimbabwe; zeer zeldzaam verder naar het noorden. Buiten het gebied in Oost-Afrika, Europa, Azië en Noord-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De vijvers van Strandfontein bij Kaapstad en de zoutwinning van Walvisbaai herbergen het hele jaar vaak tientallen tot honderden vogels. Op het Hoogveld loont het om na een natte zomer ondiepe pannen af te zoeken, waar plotseling broedkolonies kunnen ontstaan. Kijk in winterkleed naar het rode oog en de scherp begrensde zwarte kap.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en wereldwijd talrijk. De zuidelijk-Afrikaanse populatie is klein en schommelt sterk met de regenval. Knelpunten zijn het droogvallen of omzetten van pannen, veranderingen in het beheer van zoutwinningen en verstoring van broedkolonies.
Wetenschappelijke naam
Podiceps nigricollis | Brehm, 1831
Brehm beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Podiceps werd in 1787 ingevoerd door Latham. Podiceps is Latijn, van podex, genitief podicis, 'achterste', en pes 'voet', naar de poten die ver naar achteren aan het lichaam staan. nigricollis is Latijn, van niger 'zwart' en collum 'hals', naar de zwarte hals in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.


