Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Geschubde frankolijn

Geschubde frankolijn | Pternistis squamatus

Scaly Spurfowl | Francolín Escamoso

De geschubde frankolijn is een donkere, sobere bosfrankolijn van Centraal- en Oost-Afrika die in ons gebied alleen de noordelijke rand bereikt. Hij leeft verscholen in de ondergroei van bossen en bosranden en wordt veel vaker gehoord dan gezien.

Geschubde frankolijn (Pternistis squamatus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, krassend en oplopend ke-rak ke-rak ke-rak, dat in een snelle reeks versnelt, vooral bij zonsopgang en in de schemering vanaf een verhoogde plek op de bosbodem of een omgevallen stam. Bij onraad een kort, scherp kek.

Luister: ZangXC1176806

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 32 cm. Het verenkleed is egaal donker olijfbruin, op de onderdelen met fijne lichte randen aan de veren, zodat borst en flanken van dichtbij fijn geschubd lijken; van een afstand oogt de vogel vrijwel ongetekend. De keel is vaalwit tot grijsachtig, zonder kale huid. De snavel en de poten zijn opvallend oranjerood, een goed kenmerk in het halfdonker van de bosbodem. Het mannetje draagt sporen; de seksen zijn verder gelijk. Jonge vogels zijn fijner gebandeerd en doffer van snavel. Loopt met licht gebogen rug en vlucht bij verstoring eerder rennend dan vliegend de ondergroei in.

Verwarrings­soorten

De roodkeelfrankolijn heeft een kale rode keel en huid rond het oog en veelal sterk gestreepte of zwart-wit getekende onderdelen. Grants frankolijn, op de Angolese steilrand, is lichter met een grijs gestreepte hals en borst en een kaal rood vlekje rond het oog. De Coquifrankolijn en de kuiffrankolijn zijn kleiner, met een duidelijke koptekening. De combinatie van een ongetekend donker verenkleed met oranjerode snavel en poten is binnen het gebied kenmerkend.

Leefgebied

Vochtig laagland- en bergbos, oeverbos, galerijbos en de dichte ondergroei aan bosranden, ook secundair bos, verlaten tuinen en akkerranden die aan bos grenzen. Foerageert in paren of kleine familiegroepen op de bosbodem op zaden, vruchten, knollen, slakken en insecten, en krabt daarbij het bladstrooisel om.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen aan de noordrand: in het noorden en noordwesten van Angola, in de bossen van Cabinda, Uíge, Cuanza Norte en Malanje, en marginaal in de bergbossen van het uiterste noorden van Malawi en het noordoosten van Zambia. Buiten het gebied verspreid van Nigeria en Kameroen via Congo-Kinshasa en Oeganda tot Ethiopië, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister bij het eerste licht aan de rand van een bos of een beboste vallei naar de krassende roepreeksen en ga daarna stil op een bosweg staan: paren lopen in de vroege ochtend en na regen vaak even de open ruimte in. Zoek naar het oranjerood van snavel en poten in het halfdonker.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in een groot deel van het areaal vrij algemeen. Aan de zuidrand in Angola en Malawi is de soort gebonden aan resterende bosfragmenten en lijdt zij onder ontbossing, landbouw en jacht met strikken.

Wetenschappelijke naam

Pternistis squamatus | (Cassin, 1857)

Cassin beschreef de soort in 1857 als Francolinus squamatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pternistis werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Pternistis komt van het Griekse pternistēs 'iemand die met de hiel schopt', van pterna 'hiel', naar de sporen aan de poten. squamatus is Latijn voor 'geschubd', naar de schubachtige tekening van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap Lopez, Gabon.