Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Gestreepte dunbekkanarie

Gestreepte dunbekkanarie | Crithagra hyposticta

Southern Citril | Serín Africano

De gestreepte dunbekkanarie is de citril van de Oost-Afrikaanse bergen, die in het gebied de hooglanden van Malawi, Noordoost-Zambia, Noord-Mozambique en, volgens de zuidelijke Afrikaanse literatuur, de Oost-Zimbabwaanse hooglanden bewoont. De spitse snavel en het zwaar gestreepte vrouwtje onderscheiden hem van de andere gele kanaries.

Gestreepte dunbekkanarie (Crithagra hyposticta)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een levendig, hoog en snel gezang van trillers en heldere fluitjes, tsie-wie-tsjerrie-tsie-tsjiew, lijkend op dat van de Mozambiquesijs maar dunner. De roep is een stijgend swiep of tsuuie.

Luister: ZangXC703347

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11 tot 12 cm, met een vrij lange, spitse, hoornkleurige snavel. Het mannetje is olijfgroen boven met donkere streepjes, heeft een gele wenkbrauwstreep, een donkergroene wang, een smalle donkere rand rond de snavelbasis en helder gele onderdelen, vaak met fijne strepen op de flanken. Het vrouwtje is doffer groengeel met een zwak getekende kop en duidelijke donkere strepen op keel, borst en flanken. De stuit is groengeel, de staart donker zonder witte punten.

Verwarrings­soorten

De Mozambiquesijs (Crithagra mozambica) heeft een kortere, stompe snavel, een scherpe zwarte baardstreep, een felgele stuit en witte staartpunten; het vrouwtje is niet gestreept. De maskerkanarie (Crithagra capistrata) van Angola en Noordwest-Zambia heeft een scherp afgegrensd zwart masker en een ongestreept vrouwtje. De geelbrauwkanarie (Crithagra whytii) van de hooglanden van Malawi en Zambia is bruiner, met een lange gele wenkbrauw en een gestreepte bruine rug. De dunbekkanarie (Crithagra citrinelloides) van Noordoost-Afrika is vrijwel gelijk, maar komt niet in het gebied voor.

Leefgebied

Randen van bergbos, open plekken met varens en braamstruweel, grasland met struiken, aanplant van eucalyptus en den, akkers en tuinen in het middengebergte en hoger, grofweg tussen 700 en 2400 meter. Foerageert in paren of kleine groepen op zaden van kruiden en composieten, laag in de begroeiing en op de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in de hooglanden van Malawi (Nyika, Viphya, Zomba, Mulanje), in Noordoost-Zambia (Nyika, Mafinga) en in Noord-Mozambique; volgens de zuidelijk-Afrikaanse atlassen ook in de Oost-Zimbabwaanse hooglanden (Nyanga, Vumba, Chimanimani) en het aangrenzende Mozambique, waar deze vogels vroeger als African Citril werden opgevat. Daarbuiten van Tanzania en Zuid-Kenia tot Oeganda, Oost-Congo en Zuid-Soedan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in de hooglanden langs bosranden met bramen en varens en in de tuinen van bergresorts; de vogels komen graag af op distels en zaadhoofden van composieten. Let op de snavelvorm: spits en langer dan bij de Mozambiquesijs, die in dezelfde tuinen voorkomt. Het gestreepte vrouwtje is het beste kenmerk ten opzichte van de maskerkanarie.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk algemeen in de bergen en goed bestand tegen de omvorming van bosranden tot akker en aanplant.

Wetenschappelijke naam

Crithagra hyposticta | (Reichenow, 1904)

Reichenow beschreef de soort in 1904 als Spinus citrinelloides hypostictus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Crithagra werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Crithagra komt van het Griekse krithē, 'gerst', en agra, 'jacht' — een 'gerstjager', naar het zaadetende dieet van deze kanaries en zaadeters. hyposticta komt van het Griekse hupo, 'onder', en stiktos, 'gevlekt' — naar de fijne streping op de onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Moshi, Kilimanjaro, Tanzania.