Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Kaapse loofbuulbuul

Kaapse loofbuulbuul | Phyllastrephus terrestris

Terrestrial Brownbul | Bulbul Terrestre

De Kaapse loofbuulbuul is een bruine, grondbewonende buulbuul van dicht bos en struweel in het oosten en zuiden van het gebied. Hij leeft in rumoerige groepjes die over de bosbodem scharrelen en blad omdraaien, en wordt veel vaker gehoord dan goed gezien.

Kaapse loofbuulbuul (Phyllastrephus terrestris)
Foto: iNaturalist user: flamelily — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Groepjes houden contact met een zacht, droog tsjrr en een herhaald tsjuk-tsjuk; bij onrust volgt een luid, schurend gekwetter, tsjrrr-tsjrrr-tsjrrr, vaak door alle vogels tegelijk. Een eigenlijke zang wordt zelden gehoord.

Luister: RoepXC1170041

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–22 cm. De bovenzijde is warm donkerbruin, iets roestiger op stuit en staart; de kop is wat grijzer bruin, met een donkere teugel en een onopvallende lichte streep boven het oog. De keel is zuiver wit en steekt scherp af tegen de grijsbruine borst en flanken; de buikmitte is vuilwit. De snavel is donker met een lichtere ondersnavel, de ogen zijn roodbruin tot bruin, de poten grijsbruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn roestiger, met rossige randen aan de vleugelveren. In het veld vooral een donkere, langstaartige vogel met een witte keel die laag door het struikgewas glipt.

Verwarrings­soorten

De vale buulbuul Andropadus importunus is olijfgroen, niet bruin, heeft een opvallend licht oog en zit hoger in het gebladerte, alleen of in paren. De gestreepte loofbuulbuul Phyllastrephus flavostriatus is groener, met een grijze kop, een lange dunne snavel en gele streepjes op de borst, en klimt langs stammen en takken. In het noorden van Malawi en het oosten van Zambia is de grijze loofbuulbuul Phyllastrephus cerviniventris kleiner, olijfgrijzer en van onder bleek bruingeel, zonder de scherpe witte keel. Het gedrag van groepjes die op de grond blad omwoelen en daarbij voortdurend kwetteren, is het beste kenmerk.

Leefgebied

Dichte ondergroei van kust- en laaglandbos, oeverbos, beboste kloven, droog struikbos en dicht struweel rond termietenheuvels, tot in grote tuinen met inheemse begroeiing. Foerageert vrijwel alleen op of vlak boven de grond, in groepjes van drie tot acht die dode bladeren omdraaien en insecten, spinnen en slakjes zoeken; soms met gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika van de Oost-Kaap via KwaZoeloe-Natal naar Mpumalanga en Limpopo, verder in Eswatini, het oosten en noorden van Zimbabwe, Mozambique, Malawi en Zambia, het noorden van Botswana en de Caprivistrook in Namibië, en plaatselijk in het zuidoosten van Angola; ontbreekt in het droge westen en op het hoogveld. Buiten het gebied tot in Tanzania, het zuidoosten van Kenia en het zuiden van Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Luister in dicht bos naar het schurende gekwetter en het geritsel van omgewoelde bladeren; wie stil blijft staan, ziet de groep vaak één voor één over een open plek oversteken. De witte keel is het eerste wat opvalt. Goede plaatsen zijn de kustbossen van KwaZoeloe-Natal en het oeverbos langs de rivieren van het Krugerpark.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikt bos algemeen. Verliest plaatselijk leefgebied door het kappen van ondergroei en kustbos voor bebouwing en landbouw, maar verdraagt ook secundair struweel en ruige tuinen.

Wetenschappelijke naam

Phyllastrephus terrestris | Swainson, 1837

Swainson beschreef de soort in 1837 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Phyllastrephus werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Phyllastrephus komt van het Griekse phullon, 'blad', en een vorm van strephō, 'omkeren' — 'bladomdraaier', naar het zoeken naar insecten tussen het gebladerte. terrestris is Latijn voor 'op de grond levend' — naar de gewoonte van deze buulbuul om in de strooisellaag van het bos naar voedsel te zoeken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Outeniqua, West-Kaap, Zuid-Afrika.