Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Kuifkoekoek

Kuifkoekoek | Clamator glandarius

Great Spotted Cuckoo | Críalo Europeo

De kuifkoekoek is de grootste koekoek van het gebied: een lange, slanke vogel met een grijze kuif, een donkere rug vol witte vlekken en een lichte, roomkleurige keel. Hij legt zijn eieren vooral bij kraaien en spreeuwen, waarvan de jongen vaak samen met de jonge koekoeken opgroeien. In de zomer zijn luidruchtige, achter elkaar aan jagende groepjes een vertrouwd beeld in het drogere bosveld.

Kuifkoekoek (Clamator glandarius)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, raspend en snel herhaald kiu-kiu-kiu-kiu of kjeer-kjeer-kjeer, vaak in de vlucht bij achtervolgingen, en een schor ratelend krrrruk. Roept vooral in het begin van de broedtijd, als groepjes van drie tot vijf vogels elkaar luidruchtig achternazitten.

Luister: ZangXC1155890

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

35–40 cm, met een lange, getrapte staart. Volwassen vogels hebben een zilvergrijze kruin met een zachte, naar achteren gerichte kuif, een donker grijsbruine rug en vleugels met grote witte druppelvlekken en een donkere staart met witte toppen aan de pennen. Keel en borst zijn roomgeel, de rest van de onderdelen wit. De snavel is donker, licht gebogen, en om het oog ligt een rode tot oranje oogring. Jonge vogels hebben een zwarte kruin zonder duidelijke kuif, opvallend kastanjebruine handpennen en een warmere, geelbruine keel. Vliegt recht en snel met diepe slagen, als een kleine valk.

Verwarrings­soorten

De jacobijnkoekoek Clamator jacobinus en Levaillants koekoek Clamator levaillantii hebben ook een kuif, maar zijn zwart en wit, met een witte vleugelvlek en zonder witte vlekken op de rug. Jonge kuifkoekoeken met hun rossige handpennen en donkere kap kunnen in de vlucht aan een klein roofvogeltje doen denken, maar de lange staart met witte toppen en de witte vlekken op de rug zijn kenmerkend.

Leefgebied

Open en halfopen acaciasavanne, doornveld, Kalahari-doornveld en mopaneveld, ook drogere boerenlanden met verspreide bomen en de randen van dorpen, overal waar kraaien en spreeuwen broeden. Eet vooral harige rupsen, daarnaast sprinkhanen en andere grote insecten, vaak op of vlak boven de grond gezocht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid over het noorden en midden van het gebied: Namibië, Botswana, Zimbabwe, Zambia, Malawi, zuidelijk Angola en Mozambique, en in Zuid-Afrika vooral in het noorden en oosten, het Kalahari-doornveld en de Vrijstaat; schaars in Lesotho en in het zuidwesten van de Kaap. In het gebied gaat het om een Afrikaanse broedpopulatie die na de zomer noordwaarts trekt. Daarbuiten broedt de soort ook in Zuid-Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika, met overwinteraars in de Sahel en Oost-Afrika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

September tot december, als de vogels net terug zijn en hun kraaien- en spreeuwengastheren gaan broeden. Let in het bosveld op kraaien of glansspreeuwen die fel achter een langstaartige vogel aan vliegen: vaak is dat een kuifkoekoek die een nest zoekt. Later in de zomer zijn opvallende jonge vogels met rossige vleugels te zien die nog door hun pleegouders worden gevoerd.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over een groot areaal in Afrika, Europa en Azië verspreid. In zuidelijk Afrika profiteert de soort mogelijk van de toename van de schildraaf Corvus albus langs wegen en in boerenland. Geen aanwijzingen voor grote afnames in het gebied.

Wetenschappelijke naam

Clamator glandarius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cuculus glandarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Clamator werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Clamator is Latijn voor 'schreeuwer', van clamare 'roepen'. glandarius is Latijn voor 'van eikels', dezelfde naam die de gaai draagt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.