Alle soorten › Steltloperachtigen › Jacana's › Lelieloper

Lelieloper | Actophilornis africanus

African Jacana | Jacana Africana

De lelieloper is de bekende kastanjebruine vogel die met zijn enorm lange tenen over waterlelies loopt, alsof hij over het water zelf gaat. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje en heeft soms meerdere partners; de mannetjes broeden en dragen de kuikens zo nodig onder de vleugels mee.

Lelieloper (Actophilornis africanus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid en rumoerig: een scherp, raspend kyowrr, een schel rollend krrrrk bij alarm en een reeks snelle, piepende tonen tijdens schermutselingen tussen buren. Opgejaagde vogels roepen vaak in de vlucht.

Luister: RoepXC1053164

Opname: Bernard BOUSQUET — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–30 cm; het vrouwtje is merkbaar groter dan het mannetje. Het lichaam en de vleugels zijn diep kastanjebruin, de keel en voorhals wit, overgaand in een goudgele band op de onderhals. De achterhals en een streep door het oog zijn zwart. De snavel en het voorhoofdsschild zijn lichtblauw. De poten zijn lang en grijs, met extreem lange tenen en nagels. In de vlucht zijn de slagpennen zwart en hangen de poten ver achter het lichaam uit. Jonge vogels zijn bruin van boven en wit van onder, met een witte wenkbrauw, een donkere kruin en achterhals en nog geen blauw schild.

Verwarrings­soorten

Volwassen vogels zijn onmiskenbaar. Jonge vogels lijken op de dwergjacana Microparra capensis, maar die is half zo groot, heeft een kastanjebruine kruin en achterhals en in de vlucht een witte achterrand aan de vleugel. Het Afrikaans purperhoen Porphyrio alleni leeft in hetzelfde milieu, maar is paarsblauw en groen met een rode snavel.

Leefgebied

Zoetwater met drijvende vegetatie: lagunes, overstroomde vlakten, dammen, pannen en rustige rivierarmen met waterlelies, kroos, waterhyacint of drijvende grassen. Loopt over de bladeren en keert ze om op zoek naar insecten, slakken en andere ongewervelden. Het nest is een los hoopje plantenmateriaal op de drijvende vegetatie, waar de eieren soms half in het water liggen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Algemeen in het noorden en oosten van het gebied: Okavangodelta en Chobe in Botswana, de Zambezi-regio en het noorden van Namibië, Zambia, Malawi, Zimbabwe, Mozambique en Angola. In Zuid-Afrika vooral in Limpopo, Mpumalanga en KwaZoeloe-Natal, en in Eswatini; schaarser op het hoogveld en naar het westen, en zeldzaam in de Oost- en West-Kaap. Buiten het gebied over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Gemakkelijk te zien op elke dam of lagune met waterlelies in het noorden en oosten, het hele jaar door en ook midden op de dag. Kijk bij een broedpaar naar het mannetje: bij gevaar pakt hij de kuikens onder de vleugels, zodat alleen een bundel lange pootjes onder het lichaam uitsteekt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverspreid. Aanleg van dammen biedt nieuw leefgebied, maar invasieve waterplanten, drooglegging van moerassen en veranderingen in overstromingen kunnen plaatselijk tot achteruitgang leiden.

Wetenschappelijke naam

Actophilornis africanus | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Parra africana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Actophilornis werd in 1925 ingevoerd door Oberholser. Actophilornis komt van het Griekse aktē, 'oever', philos, 'liefhebbend', en ornis, 'vogel' — een 'oeverminnende vogel', naar het leven langs de rand van meren en moerassen. africanus betekent 'Afrikaans', naar het verspreidingsgebied in Afrika ten zuiden van de Sahara. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (later beperkt tot Ethiopië).