Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Moerasbuulbuul

Moerasbuulbuul | Thescelocichla leucopleura

Swamp Palm Bulbul | Bulbul de las Rafias

De moerasbuulbuul is een grote, luidruchtige buulbuul van moerasbos met raffiapalmen in West- en Centraal-Afrika. In het gebied bereikt hij alleen het uiterste noorden van Angola. Groepen maken met hun gezamenlijke, rauwe gekwetter veel lawaai, en in vlucht vallen de witte staarthoeken op.

Moerasbuulbuul (Thescelocichla leucopleura)
Foto: peter maaskant — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Zeer luidruchtig. Groepen maken een rauw, schetterend koor van krassende en nasale tonen, tsjrrr-tsjrrr-tsjak-tsjak, vaak oplopend tot een opgewonden gekwetter waarbij alle vogels tegelijk roepen. Daarnaast een los tsjak als contactroep.

Luister: ZangXC1176802

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–23 cm. Een forse, vrij langstaartige buulbuul. De bovenzijde is donker olijfbruin, de kruin iets donkerder. De keel is wit, de borst en buik lichtgeelachtig tot crèmekleurig, met grijsolijf gewassen flanken waarop lichte streepjes. De staart is donker olijfbruin met brede witte uiteinden aan de buitenste pennen, vooral zichtbaar bij het uitspreiden van de staart en in vlucht. De snavel is zwart en vrij fors, de poten zijn grijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met minder wit in de staart.

Verwarrings­soorten

De witstaartbuulbuul Baeopogon indicator heeft ook wit in de staart, maar dan over de lengte van de buitenste pennen, niet als brede eindvlekken; hij is groener, heeft een grijze keel en zit meestal hoog in het bladerdak van droger bos. Hartlaubs buulbuul Chlorocichla simplex heeft eveneens een witte keel, maar een effen staart zonder wit en een witte oogring. De geelborstbuulbuul Chlorocichla flaviventris is kleiner, met een helder gele onderzijde en zonder wit in de staart.

Leefgebied

Moerasbos met raffiapalmen en Pandanus, palmmoerassen langs rivieren, beboste oevers en natte bosranden, ook plantages met oliepalmen nabij water, in het laagland. Leeft in groepen van vijf tot vijftien vogels die door de palmkronen trekken en vooral vruchten eten, aangevuld met insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het uiterste noorden van Angola: Cabinda en de palmmoerassen van de noordwestelijke provincies langs de benedenloop van de Congo. Daarbuiten van Senegal en Guinee oostwaarts door de West-Afrikaanse kustbossen tot Kameroen, Gabon, Congo en het westen van de DR Congo.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Zoek in Cabinda en het uiterste noorden van Angola naar stukken raffiamoeras; een groep verraadt zich bijna altijd door het rauwe koor. Wacht bij een palmgroep tot de vogels naar de volgende boom overvliegen: de witte staarthoeken bevestigen dan de determinatie.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in geschikt moerasbos wijdverbreid en vaak algemeen. De Angolese populatie is klein en afhankelijk van palmmoerassen die plaatselijk worden ontgonnen of ingericht voor landbouw.

Wetenschappelijke naam

Thescelocichla leucopleura | (Cassin, 1855)

Cassin beschreef de soort in 1855 als Phyllostrophus leucopleurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thescelocichla werd in 1905 ingevoerd door Oberholser. Thescelocichla komt van het Griekse theskelos, 'wonderbaarlijk, door de goden bezield', en kikhlē, 'lijster' — een 'wonderlijster'. leucopleura komt van het Griekse leukos, 'wit', en pleura, 'zijde, flank' — naar de lichte flanken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mondah-rivier, Gabon.