Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Oranjewangastrild

Oranjewangastrild | Estrilda melpoda

Orange-Cheeked Waxbill | Estrilda Carinaranja

De oranjewangastrild is een kleine West- en Centraal-Afrikaanse astrild met een opvallende oranje wangvlek, die in het gebied alleen het noorden van Angola en het noordwesten van Zambia bereikt. Groepjes trekken door ruig gras langs beken en akkers.

Oranjewangastrild (Estrilda melpoda)
Foto: James M. Maley — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ijl, scherp tsip of tsjiep als contactroep, veel gehoord van foeragerende groepjes, en een korte, hoge zang van enkele gerekte tonen, tsie-tsie-tsieee.

Luister: ZangXC288070

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 10 cm. Kruin en nek zijn lichtgrijs; rond het oog en over de wang ligt een grote, helder oranje vlek die tot achter het oog doorloopt. De keel is witachtig, de onderdelen bleek grijsbeige met een gelig of oranjegetint midden van de buik. Rug en vleugels zijn warm bruin, de stuit helder rood, de staart zwart. De snavel is rood. De seksen zijn gelijk, het vrouwtje met een iets kleinere en bleekere wangvlek. Jonge vogels hebben een zwarte snavel en een vage, gelige wangvlek.

Verwarrings­soorten

De moerasastrild (Estrilda paludicola), die in dezelfde streken voorkomt, heeft ook een grijze kop, een rode stuit en een rode snavel, maar mist de oranje wang en heeft een lichtbruine borst. Het Sint-Helenafazantje (Estrilda astrild) is groter en langer gestaart, overal fijn gebandeerd, met een rode oogstreep in plaats van een oranje wang. Het goudbuikje (Amandava subflava) heeft een oranjegele buik, groenige bovendelen en bij het mannetje een rode wenkbrauw, zonder grijze kop.

Leefgebied

Ruig en hoog gras langs beken, rivieroevers en moerasranden, braakliggend land, akkers, bermen en de randen van galerijbos en dorpen. Leeft in groepjes van tot enkele tientallen vogels die graszaden van de aren plukken en bij verstoring gezamenlijk wegvliegen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het noorden en noordwesten van Angola, zuidwaarts tot ongeveer het centrale plateau, en in het noordwesten van Zambia (Mwinilunga en de omgeving van de bronnen van de Zambezi), met enkele meldingen uit Luapula. Daarbuiten van Senegal tot de Centraal-Afrikaanse Republiek en Congo-Kinshasa. Elders ingevoerd, onder meer op Puerto Rico en Hawaï.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in het noordwesten van Zambia, bijvoorbeeld rond Mwinilunga, in ruig gras langs stroompjes en dambo's en langs akkers en dorpsranden; in Noord-Angola is hij op zulke plekken vaak algemeen. Een groepje dat op graszaden zit, laat de oranje wangen van dichtbij goed zien; in vlucht vallen de rode stuit en het hoge tsip op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen tot zeer algemeen in het grootste deel van het wereldareaal, en in het gebied plaatselijk algemeen. Profiteert van landbouw en open gemaakt terrein; wordt in delen van West-Afrika in grote aantallen gevangen voor de vogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Estrilda melpoda | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla melpoda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan het sint-helenafazantje gaf; waar dat woord vandaan komt is onzeker — mogelijk een Duitse of Nederlandse vogelhoudersterm voor een astrild, mogelijk een drukfout voor Estrilda. melpoda komt van het Griekse melpōdos, 'liederen zingend', van melpō, 'zingen en dansen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.