Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Rotsvorkstaartplevier

Rotsvorkstaartplevier | Glareola nuchalis

Rock Pratincole | Canastera Sombría

De rotsvorkstaartplevier is een kleine, donkere vorkstaartplevier van stroomversnellingen in grote rivieren, waar hij op rotsen midden in het kolkende water rust en broedt. Hij is gebonden aan de laagwaterstand: zodra de rivieren zwellen en de rotsen onderlopen, verdwijnt hij.

Rotsvorkstaartplevier (Glareola nuchalis)
Foto: Laura Erickson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, dun en herhaald kiek-kiek of pie-pie-pie, zwaluwachtig; roept veel in vlucht en op de rustplaatsen, ook boven het geraas van het water uit.

Luister: BedelroepXC465681

Opname: Andres Angulo — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm. Donker grijsbruin, met een smalle witte streep die van achter het oog over de nek loopt en een halve kraag vormt (bij de West-Afrikaanse ondersoort is die kraag roestkleurig). Onderbuik en stuit wit, de korte staart ondiep gevorkt met een zwarte eindband. De snavel is zwart met een rode basis; de poten zijn opvallend koraalrood. In vlucht slank en zwaluwachtig, met donkere vleugels, een witte stuit en een smalle witte streep over de ondervleugel. De geslachten zijn gelijk; jonge vogels missen de witte kraag en hebben lichte veerzomen op de bovendelen.

Verwarrings­soorten

De vorkstaartplevier Glareola pratincola is groter en zandbruin, heeft een crème keel met zwarte omlijning, een diep gevorkte staart, zwartachtige poten en een roodbruine ondervleugel; hij zit op zandbanken en vlakten, niet op rotsen in stromend water. De krokodilwachter Pluvianus aegyptius van dezelfde rivieren in het noorden van Angola is contrastrijk zwart, blauwgrijs en roomwit.

Leefgebied

Stroomversnellingen en rotsige trajecten van grote rivieren, met kale rotsen die boven het water uitsteken. Jaagt in vlucht laag boven het water op vliegende insecten, vaak in de ochtend- en avondschemering, en rust in groepjes op de rotsen. De eieren liggen in een spleet of holte op kale rots, soms vlak boven het opspattende water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Langs de Zambezi en haar zijrivieren: van de Caprivi via de Victoriawatervallen en de Batoka-kloof tot de benedenloop in Mozambique, met verder broedplaatsen in Zambia (onder meer Kafue en Luangwa), in Zimbabwe langs de Zambezi, in het noorden van Botswana langs de Chobe, in Namibië bij Popa Falls op de Okavango, in Malawi langs de Shire en in Angola langs rotsige rivieren zoals de Cuanza en de Cunene. Daarbuiten langs grote rivieren in West- en Centraal-Afrika, van Sierra Leone tot Tsjaad en Oeganda.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij de Victoriawatervallen en bij Popa Falls rusten de vogels vaak op de rotsen onder de stroomversnellingen, goed te zien vanaf de oever. Kom in de droge tijd (augustus–november), wanneer de rotsen droog liggen en de vogels broeden; in de natte tijd staan de rotsen onder water en is de soort grotendeels verdwenen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is afhankelijk van vrij stromende rivieren: stuwdammen die stroomversnellingen onder water zetten of het waterpeil onnatuurlijk regelen, zoals bij Kariba en Cahora Bassa, hebben plaatselijk broedplaatsen vernietigd, en verstoring door vaartoerisme speelt lokaal een rol.

Wetenschappelijke naam

Glareola nuchalis | Gray, 1849

Gray beschreef de soort in 1849 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glareola werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Glareola is een Latijns verkleinwoord van glarea 'grind', naar de kale grindige grond waarop vorkstaartplevieren broeden. nuchalis komt van het Middeleeuws-Latijnse nucha, 'nek' — naar de witte band die van achter het oog over de nek loopt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Vijfde Nijlcataract bij Berber, Soedan.