Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Roze pelikaan

Roze pelikaan | Pelecanus onocrotalus

Great White Pelican | Pelícano Común

De roze pelikaan is de grootste pelikaan van het gebied: een witte reus met zwarte handpennen, een lange snavel met gele keelzak en in de broedtijd een roze gloed over het verenkleed. Hij vist vaak in groepen die in een halve cirkel samenwerken om vis in ondiep water te drijven.

Roze pelikaan (Pelecanus onocrotalus)
Foto: Andrew massyn — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie vrijwel zwijgzaam. In de kolonie klinken diepe, grommende en loeiende geluiden, mmmoo, en een laag gekreun; jongen bedelen met een schor geblaat.

Luister: VluchtroepXC343693

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

140–180 cm, spanwijdte 2,7 tot 3,6 meter; het mannetje is duidelijk groter dan het vrouwtje. Volwassen vogels zijn wit met in de broedtijd een zalmroze waas en een korte hangende kuif; de borst draagt een gele vlek. De snavel is blauwgrijs met een rode rand en nagel, de keelzak geel, de naakte huid rond het oog roze tot oranje, de poten roze tot oranjegeel. De grens van de bevedering op het voorhoofd loopt spits toe naar de snavel. In de vlucht zijn de slagpennen aan boven- en onderzijde geheel zwart en contrasteren scherp met de witte ondervleugeldekveren. Jonge vogels zijn bruin en worden via vuilwit in drie à vier jaar volwassen. Vliegt met ingetrokken hals, in V-formaties of zwevend in hoge kringen.

Verwarrings­soorten

De kleine pelikaan Pelecanus rufescens is kleiner en grijzer, met een roze getinte rug, een lichte roze-gele snavel en in de vlucht een grijzige ondervleugel met veel minder contrast tussen dekveren en slagpennen. Jonge roze pelikanen zijn bruiner dan kleine pelikanen maar tonen al het donkere achterste deel van de ondervleugel. Op afstand kan een vliegende groep aan ooievaar Ciconia ciconia doen denken, maar die vliegt met gestrekte hals en poten.

Leefgebied

Grote ondiepe meren, dammen, zoutpannen, lagunen, estuaria en beschutte kustbaaien. Vist overdag in groepen door gezamenlijk de snavel in het water te slaan en vis in te sluiten, en schept de prooi met de keelzak op. Broedt in dichte kolonies op de grond, op eilanden of in afgelegen pannen, zodra er genoeg water en vis is.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Plaatselijk talrijk langs de kust en op grote wateren in Namibië (Walvisbaai, Sandwich Harbour, Etosha) en in Zuid-Afrika, met broedkolonies op Dassen Island in de West-Kaap en bij het St Luciameer in KwaZoeloe-Natal; in Botswana op de Makgadikgadipannen en het Ngamimeer, waar hij na goede regens massaal broedt. Verder verspreid in Zimbabwe, Mozambique, Zambia en Malawi en bij Angola langs de kust; ontbreekt in de droge binnenlanden zonder open water. Buiten het gebied in Oost- en West-Afrika, en van Zuidoost-Europa en Klein-Azië tot Centraal-Azië en India.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek groepen op de lagune van Walvisbaai of op de pannen van Makgadikgadi na een natte zomer. Een vliegende groep die in thermiek opstijgt is een opvallend gezicht; let dan op de zwarte slagpennen tegen de witte ondervleugel om hem van de kleine pelikaan te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wereldwijd talrijk. In het gebied gevoelig voor het droogvallen van broedpannen, verstoring van kolonies, vergiftiging en aanvaringen met hoogspanningslijnen. De kolonie op Dassen Island is afhankelijk van eieren en jongen van zeevogels als aanvullend voedsel; de achteruitgang van die kolonies raakt ook de pelikanen.

Wetenschappelijke naam

Pelecanus onocrotalus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pelecanus voerde hij in datzelfde werk in. Pelecanus is de Latijnse vorm van het Griekse pelekan 'pelikaan', dat zelf teruggaat op pelekys 'bijl'. onocrotalus is de Latijnse naam van de pelikaan, ontleend aan het Griekse onokrotalos, van onos 'ezel' en krotalon 'ratel': letterlijk 'wie balkt als een ezel', naar de rauwe roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika en Azië (later beperkt tot de Kaspische Zee voorgesteld).