Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Sint-Helenafazantje

Sint-Helenafazantje | Estrilda astrild

Common Waxbill | Estrilda Común

Het Sint-Helenafazantje is de meest verbreide astrild van het gebied: een fijn gebandeerd bruin vogeltje met een rode oogstreep en een rode snavel, dat in luidruchtige groepen door ruig gras bij water trekt. De Nederlandse naam verwijst naar Sint-Helena, waar de soort, net als op vele andere plekken buiten Afrika, door de mens is ingevoerd.

Sint-Helenafazantje (Estrilda astrild)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een nasaal, aanhoudend tsjip-tsjip of tsjer-tsjer van groepen in vlucht, en een korte, schrille zang met een opwaartse slottoon, tsje-tsje-pieu. Groepen zijn vaak te horen voordat ze te zien zijn.

Luister: VluchtroepXC1065593

Opname: João Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11 tot 13 cm, met een lange, getrapte staart. De bovendelen zijn grijsbruin en overal fijn donker gebandeerd; door het oog loopt een brede, helder rode streep. Wangen en keel zijn witachtig, de onderdelen beige tot roze aangelopen en eveneens fijn gebandeerd, met een rode vlek of streep midden op de buik. Onderstaartdekveren en buik achteraan zijn zwartachtig. De snavel is koraalrood. Het vrouwtje is iets bleker, met minder rood op de buik. Jonge vogels zijn vager gebandeerd, met een zwarte snavel en een doffere oogstreep.

Verwarrings­soorten

De teugelastrild (Estrilda rhodopyga), alleen in het noorden van Malawi en rond het zuiden van het Tanganyikameer, heeft ook een rode oogstreep, maar een donkere snavel, een karmijnrode stuit, rood gerande vleugelveren en geen rood op de buik. De moerasastrild (Estrilda paludicola) en de oranjewangastrild (Estrilda melpoda) hebben een grijze kop zonder oogstreep of met een oranje wang, een rode stuit en geen bandering. De amaranten, zoals het vuurvinkje (Lagonosticta senegala), hebben een roze-rode kop en borst bij het mannetje en zijn niet gebandeerd.

Leefgebied

Ruig gras, riet en struikgewas langs rivieren, dammen en moerassen, braakliggend land, akkers, suikerriet, bermen, tuinen en parken, ook in het fynbos van de Kaap. Vormt buiten de broedtijd groepen van tientallen tot honderden vogels, die aan grasaren hangen of in snelle, golvende vlucht achter elkaar overvliegen. Het nest wordt vaak bewoond samen met een afgesloten 'mannetjesnest' erbovenop.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied verspreid, van Angola, Zambia, Malawi en Mozambique tot Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië, heel Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini; ontbreekt grotendeels in de Namib, de droge Karoo en de centrale Kalahari, behalve langs rivieren zoals de Oranje. Verder over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara. Ingevoerd en gevestigd onder meer op het Iberisch Schiereiland, Sint-Helena, Kaapverdië, Ascension, Mauritius, Réunion, Brazilië en Hawaï.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop langs een dam of rivier met hoog gras en luister naar het nasale gekwetter: vaak vliegt dan een hele groep in een lint van kleine bruine vogels over, die neerstrijken op grasaren. Door een kijker vallen de rode oogstreep en de rode snavel direct op. Het Sint-Helenafazantje is de gewone waardvogel van de dominicanerwida (Vidua macroura); waar grote groepen zitten, is die broedparasiet vaak niet ver.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen tot zeer algemeen en in veel streken in aantal toegenomen dankzij landbouw, dammen en tuinen. Wordt plaatselijk gevangen voor de vogelhandel, zonder merkbaar effect op de populatie.

Wetenschappelijke naam

Estrilda astrild | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia Astrild; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan het sint-helenafazantje gaf; waar dat woord vandaan komt is onzeker — mogelijk een Duitse of Nederlandse vogelhoudersterm voor een astrild, mogelijk een drukfout voor Estrilda. astrild is van onzekere herkomst: mogelijk een Duitse of Nederlandse vogelhoudersnaam voor een astrild, mogelijk een drukfout voor Estrilda. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapstad.