Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Snorgraszanger
Snorgraszanger | Cisticola njombe
Churring Cisticola | Cistícola de Njombé
De snorgraszanger is een kleine, gestreepte graszanger van het hooggelegen grasland in het zuiden van Tanzania en op het Nyikaplateau. Binnen het gebied komt hij alleen op de Nyika voor, op de grens van Malawi en Zambia. Hij werd oorspronkelijk beschreven als ondersoort van de langstaartgraszanger en is in het veld vooral aan zijn snorrende zang en zijn hoogteligging te herkennen.
Geluid
De zang, waaraan de soort haar Engelse naam dankt, is een droog, snorrend of zoemend trrrrrrrr, vaak voorafgegaan door enkele hoge, dunne tonen, tsi-tsi-trrrrrrr, gezongen vanaf een grashalm, varen of struikje. Paren zingen soms in duet. Alarm een scheldend tsik en ratelend gekrakeel.
Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Een compacte, middelgrote graszanger met een rossig bruine, fijn gestreepte kruin en een grijsbruine rug met duidelijke donkere lengtestrepen. De vleugelpennen zijn warm bruin gerand. Het gezicht is grijzig met een onduidelijke lichte wenkbrauw, de onderdelen zijn vuilwit tot lichtgrijs met een bruingele zweem op de flanken. De staart is middellang, bruin met een donkere band voor de lichte punt. De seksen zijn gelijk, het mannetje iets groter. Het kleed is in het droge seizoen wat valer en sterker gestreept.
Verwarringssoorten
De jammergraszanger Cisticola lais leeft in de hooglanden van Malawi op lagere hoogte, is groter, warmer bruingeel en roept een klagend wiieeuu. De zwartteugelgraszanger Cisticola nigriloris van dezelfde hooglanden is duidelijk groter en donkerder, met zwarte teugels en een luid duet, en houdt zich meer in ruigte en bosranden op. De langstaartgraszanger Cisticola aberrans heeft een effen, ongestreepte rug en een lange, opgewipte staart. De witbrauwgraszanger Cisticola cantans heeft een effen rug, roestrode vleugels en leeft in struikgewas. Kleinere, kortstaartige graszangers zoals de dwerggraszanger Cisticola ayresii zingen in hoge zangvluchten. Hoogte, gestreepte rug en de snorrende zang wijzen op de snorgraszanger.
Leefgebied
Montaan grasland boven ongeveer 1800 m, vooral waar het gras wordt afgewisseld met adelaarsvaren, braamstruwelen, lage struiken en rotspartijen, en langs de randen van bosjes. Foerageert laag in het gras en de varens, meestal in paren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied alleen op het Nyikaplateau op de grens van Malawi en Zambia (ondersoort mariae); het grootste deel van de populatie leeft aan de Malawische kant. Daarbuiten in de hooglanden van het zuiden van Tanzania (onder meer rond Njombe), waar de nominaatvorm voorkomt.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond; het makkelijkst te vinden in het Nyika National Park, bijvoorbeeld in de glooiende graslanden rond Chelinda. Zoek in de ochtend langs graslanden met varens en braam en luister naar het snorrende geluid; de vogel zit vaak bovenop een varen of graspol. Let op de lengte en de teugels om hem van de grotere zwartteugelgraszanger te scheiden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Het areaal is klein, maar op de Nyika grotendeels beschermd. Te frequente of te hete branden, bebossing met exoten en ontginning van hooglandgrasland in Tanzania zijn de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Cisticola njombe | Lynes, 1933
Lynes beschreef de soort in 1933 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. njombe verwijst naar Njombe in het zuidwesten van Tanzania, waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Njombe, Tanzania.
