Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Witbrauwzwaluw

Witbrauwzwaluw | Neophedina cincta

Banded Martin | Avión Cinchado

De witbrauwzwaluw is de grootste oeverzwaluw van het gebied: een bruine zwaluw met een witte onderzijde, een bruine borstband en een klein wit wenkbrauwvlekje. Zijn trage, wat slordige vlucht boven graslanden en de witte ondervleugel maken hem goed herkenbaar.

Witbrauwzwaluw (Neophedina cincta)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, kwetterend tsjip-tsjip-tsjerr, vooral in de vlucht en bij het nest; de zang is een reeks ratelende en kwetterende tonen.

Luister: ZangXC459468

Opname: Raphaël Nussbaumer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm, met een recht afgesneden of licht ingekeepte staart. Bovenzijde egaal donker grijsbruin. Een kort wit streepje boven de teugel vóór het oog vormt het wenkbrauwvlekje. Onderzijde wit met een brede bruine borstband, soms met een smalle bruine lijn die vanuit de band in het midden naar beneden loopt. De ondervleugeldekveren zijn wit en contrasteren scherp met de donkere slagpennen, een goed kenmerk in de vlucht. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben lichte randen aan de veren van de bovendelen en een vagere borstband. De vlucht is langzaam en fladderend, met korte glijvluchten, vaak laag boven het gras.

Verwarrings­soorten

De oeverzwaluw Riparia riparia is veel kleiner, zonder witte wenkbrauw, met een donkere ondervleugel en een ingekeepte staart; een Palearctische zomergast die vooral boven water jaagt. De vale oeverzwaluw Riparia paludicola is kleiner en heeft een bruine keel en borst zonder afgescheiden borstband. De Kaapse rotszwaluw Ptyonoprogne fuligula heeft geen borstband en toont witte vlekjes in de gespreide staart. De Maskarenenzwaluw Phedina borbonica is zwaar gestreept van onderen.

Leefgebied

Open grasland, weiden en braakland, vaak in de buurt van water, van laagland tot boven 2000 m. Nestelt alleen of in kleine groepen in een zelf gegraven gang in een aarden wal, rivieroever, erosiegeul of wegberm.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika een broedende zomergast op het Hoogveld (Gauteng, Vrijstaat, Mpumalanga en Noordwest), in KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap, en verder in Lesotho en Eswatini; ontbreekt in het droge westen. Verder in Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, Angola, het noorden van Botswana en het noordoosten van Namibië, waar populaties deels standvogel zijn en zuidelijke vogels in de winter doortrekken naar Centraal-Afrika. Daarbuiten tot in Oost-Afrika en Ethiopië en verspreid in West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van september tot april in hooggelegen graslanden, bijvoorbeeld rond Wakkerstroom, Dullstroom en in het Golden Gate Highlands National Park. Let op een grote, bruine zwaluw die traag boven het gras fladdert en bij het keren de witte ondervleugel laat zien; hij rust graag op draden en hekken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en vrij algemeen. Het omzetten van grasland in akkers en bosplantages verkleint plaatselijk het leefgebied, maar wegbermen en erosiegeulen bieden extra nestplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Neophedina cincta | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Hirundo Cincta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Neophedina werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Neophedina komt van het Griekse neos, 'nieuw', en de geslachtsnaam Phedina — een 'nieuwe Phedina'. cincta komt van het Latijnse cinctus, 'omgord' — naar de donkere borstband. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.