Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Zwartbuikglansspreeuw

Zwartbuikglansspreeuw | Notopholia corusca

Black-Bellied Starling | Estornino Ventrinegro

De zwartbuikglansspreeuw is de kleinste en donkerste glansspreeuw van het gebied, een bewoner van de kustbossen van Oost- en zuidoostelijk Afrika. De glans is bij slecht licht nauwelijks zichtbaar, zodat hij in het bladerdak vaak eenvoudig zwart lijkt.

Van deze soort bestaat geen foto van een levende wilde vogel met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Geluid

Een doorlopend, rasperig en kwetterend gezang met krassende en fluitende tonen en imitaties van andere vogels; de roep is een schor tsjrrr of een hoog tsjiek. Groepen laten een gestaag geklets in de kroon horen.

Luister: ZangXC1161570

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–21 cm, compact, met een vrij korte staart. Het mannetje is zwartachtig met een blauw- tot paarsgroene glans op kop, rug, vleugels en borst; de buik is matzwart en veel doffer, en ook de oorstreek is dof, zodat het geheel donker oogt. Het oog is oranje tot geel. Het vrouwtje is doffer en bruiniger zwart, met minder glans. Jonge vogels zijn matbruinzwart met een donker oog. Leeft in groepjes in de kroon en is snel en beweeglijk.

Verwarrings­soorten

De roodschouderglansspreeuw Lamprotornis nitens is groter en over het hele lichaam helder blauwgroen glanzend, met een geel oog en een kleine roodachtige schoudervlek; hij leeft in open bosveld, niet in dicht kustbos. De groenstaartglansspreeuw Lamprotornis chalybaeus is ook groter, met een donkerblauwe oorvlek en een glanzende buik. Het vrouwtje van de amethistspreeuw Cinnyricinclus leucogaster is bruin met gestreepte onderdelen. De donkere buik, het leven in dicht kustbos en het krakende, kwetterende gezang zijn de beste kenmerken.

Leefgebied

Kustbos, duinbos, oeverbos, laaglandbos en mozaïek van bos en savanne, ook plantages, grote tuinen en parken met vruchtdragende bomen. Foerageert in de kronen op vruchten, bessen en insecten, vaak samen met buulbuuls en andere vruchteters. Nestelt in boomholtes, ook in oude spechten- en baardvogelnesten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied langs de kust en het kustvlak van de Oost-Kaap (vanaf de omgeving van East London) via KwaZulu-Natal naar het oosten van Eswatini en over een groot deel van de kustvlakte en het laagland van Mozambique; zeldzaam in het uiterste oosten van Zimbabwe. Buiten de broedtijd zwerven groepjes langs de kust en landinwaarts. Buiten het gebied langs de Oost-Afrikaanse kust noordwaarts via Tanzania en Kenia tot het zuiden van Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, maar in de winter zwervender. Goede plekken zijn de kustbossen van iSimangaliso (St. Lucia, Cape Vidal), Mtunzini, de duinbossen rond Durban en de omgeving van Maputo. Let op kleine donkere spreeuwen die in snelle groepjes van kroon naar kroon vliegen, en luister naar het krakende, kwetterende gezang.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikt kustbos vrij algemeen. Het verlies van kustbos aan bebouwing en landbouw raakt de soort plaatselijk, maar hij gebruikt ook tuinen en plantages.

Wetenschappelijke naam

Notopholia corusca | (Nordmann, 1835)

Nordmann beschreef de soort in 1835 als L[amprotornis] corrusca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Notopholia werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Notopholia komt van het Griekse notos, 'zuiden', en het spreeuwengeslacht Pholia — een 'zuidelijke Pholia'; Roberts scheidde de soort in 1922 af om de korte, brede snavel en de kleinere maat. corusca komt van het Latijnse coruscus, 'flikkerend, schitterend' — naar het glanzende verenkleed; Nordmann spelde het oorspronkelijk corrusca. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Afrika (vermoedelijk het oosten van de Kaapkolonie).