Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zwarte wouw

Zwarte wouw | Milvus migrans

Black Kite | Milano Negro

De zwarte wouw is een van de talrijkste roofvogels ter wereld en in zuidelijk Afrika een van de eerste tekenen van de terugkeer van de regens. In het gebied komen twee vormen voor: de Afrikaanse geelsnavelwouw, die hier broedt, en de Europese zwarte wouw, die er overwintert. Beide zijn opportunisten die langs wegen, bij vuilstortplaatsen, veldbranden en termietenzwermen verschijnen.

Zwarte wouw (Milvus migrans)
Foto: Giles Laurent — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, trillend en klagend gefluit, kliee-ee-ee-ee, dat vaak tijdens het zweven boven het nest of bij baltsvluchten klinkt; verder een kort, scherp kiek. Europese overwinteraars zijn meestal stil.

Luister: VluchtroepXC1166697

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50–60 cm, spanwijdte 130–155 cm. Een middelgrote, donkerbruine roofvogel met lange, vrij smalle vleugels en een lange, licht gevorkte staart die tijdens het zweven voortdurend wordt gedraaid; bij een uitgespreide staart is de vork bijna verdwenen. De geelsnavelwouw (parasitus) is warm roodbruin met een geheel gele snavel en gele poten. De Europese vorm (migrans) is kouder bruin met een grijzige, gestreepte kop, een zwarte snavel met gele washuid en een lichtere band over de bovenvleugeldekveren. Jonge geelsnavelwouwen hebben een zwarte snavel en lijken daardoor op migrans, maar zijn van onderen breder licht gestreept. In de vlucht is een lichte vlek aan de basis van de handpennen zichtbaar.

Verwarrings­soorten

De buizerd Buteo buteo, vooral de steppebuizerd (vulpinus), heeft een kortere, afgeronde staart zonder vork, bredere vleugels en een donkere carpaalvlek. De bruine kiekendief Circus aeruginosus en de Afrikaanse bruine kiekendief Circus ranivorus hebben een lange, rechte staart, zweven met de vleugels in een V en jagen laag boven riet. De savannearend Aquila rapax is groter en zwaarder, met een rechte, korte staart en gevingerde vleugelpunten.

Leefgebied

Vrijwel elk open tot halfopen landschap: bosveld, savanne, rivierbossen, randen van meren en moerassen, landbouwgebied, dorpen en voorsteden. Nestelt in hoge bomen, vaak in rivierbegeleidende bossen of plantages. Eet aas, afval, insecten, kleine zoogdieren, vogels, hagedissen en vis, en jaagt graag bij veldbranden en zwermende termieten, soms in groepen van honderden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

De geelsnavelwouw broedt in vrijwel het hele gebied, behalve in de droogste delen van de Namib en de westelijke Karoo; algemeen in het oosten van Zuid-Afrika, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, het noorden van Botswana en Namibië en in Angola. De Europese zwarte wouw is vooral in het noorden en oosten talrijk (Zambia, Zimbabwe, Botswana, Malawi, Mozambique), met zwervende groepen tot in Zuid-Afrika. Wereldwijd broedt de soort in Europa, Azië, Afrika en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De eerste geelsnavelwouwen verschijnen in augustus, vaak nog voor de eerste regen, en vallen op door hun gele snavel en roodbruine kleur. Kijk in november–januari na onweer naar zwermende termieten: daar jagen soms honderden wouwen samen met valken en schreeuwarenden. Let bij elke wouw op de snavelkleur; een donkere snavel met een grijze kop wijst op een Europese vogel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de Rode Lijst en wereldwijd zeer talrijk. In zuidelijk Afrika is de geelsnavelwouw plaatselijk achteruitgegaan door vergiftiging, onder meer via lokaas voor jakhalzen en bij de bestrijding van queleas, en door aanvaringen met elektriciteitsleidingen.

Wetenschappelijke naam

Milvus migrans | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Falco migrans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Milvus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Milvus is het Latijnse woord voor de rode wouw. migrans is Latijn voor 'trekkend', van migrare 'wegtrekken', naar de trek van de noordelijke populaties. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.