Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Zwartstaartastrild

Zwartstaartastrild | Glaucestrilda perreini

Grey Waxbill | Estrilda Colinegra

De zwartstaartastrild is een ingetogen grijze astrild van bosranden en dichte ondergroei in het oosten van het gebied, herkenbaar aan het contrast tussen de karmijnrode stuit en de zwarte staart. Hij leeft in paren of kleine familiegroepen en blijft meestal laag in de vegetatie verborgen.

Zwartstaartastrild (Glaucestrilda perreini)
Foto: Nigel Voaden from UK — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ijl, klaaglijk en langgerekt psiieeuu, vaak herhaald als contactroep tussen de partners, en een zacht, dalend swie-swie-swieoe als zang. Het geluid valt sneller op dan de vogel zelf.

Luister: RoepXC660749

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 11 cm. Kop, rug en onderdelen zijn vrijwel egaal leigrijs, de keel iets bleker; een smalle zwarte teugel loopt van de snavel door het oog. De stuit en de bovenstaartdekveren zijn helder karmijnrood, de staart en de onderstaartdekveren zwart. De snavel is blauwzwart met een lichtere basis, het oog donker. De seksen zijn gelijk; het vrouwtje is soms iets doffer, met minder rood op de flanken. Jonge vogels zijn bruiner grijs, met een doffere stuit. De vogels van KwaZulu-Natal en het zuiden van Mozambique (incana) zijn bleker grijs dan die van Angola en het noorden.

Verwarrings­soorten

De groenrugastrild (Coccopygia melanotis) heeft eveneens een rode stuit en een grijze kop, maar een olijfgroene rug, een geelachtige buik en een rood-zwarte snavel; het mannetje heeft een zwart gezicht. De elfenastrild (Brunhilda erythronotos) van droge acaciasavanne heeft een zwart gezicht en een zwarte buik, een fijn gebandeerde rug en wijnrode flanken. De Cinderella-astrild (Glaucestrilda thomensis) van het zuidwesten van Angola en het noordwesten van Namibië is bleker, met roze flanken en een rode snavelbasis; de gebieden overlappen niet. Het Sint-Helenafazantje (Estrilda astrild) is bruin en fijn gebandeerd, met een rode oogstreep en een rode snavel.

Leefgebied

Randen van kustbos, laaglandbos en oeverbos, dicht struikgewas, lianenwarrels, verruigde open plekken en tuinen met veel dekking; in Zimbabwe ook bosranden in de oostelijke hooglanden. Eet vooral graszaden, die hij van de aar plukt of van de grond raapt, en daarnaast kleine insecten. Mengt zich soms onder groenrugastrilden of groene druppelastrilden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het noorden en westen van Angola, het noorden en oosten van Zambia, Malawi, Mozambique, de oostelijke hooglanden van Zimbabwe (Manicaland), het oosten van Eswatini en het oosten van KwaZulu-Natal, zuidwaarts tot in het zuiden van de provincie; uitzonderlijk verder landinwaarts in Mpumalanga en Limpopo. Daarbuiten van Gabon en Congo tot Congo-Kinshasa en het zuiden van Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister langs de randen van kustbos in Zululand, bijvoorbeeld bij St. Lucia, Mtunzini of Kosi Bay, en in Mozambique en Oost-Zimbabwe naar de ijle klaagroep uit dichte ondergroei. Wacht bij een open plek of een pad: de vogels vliegen laag over, waarbij de rode stuit en de zwarte staart even oplichten, en duiken meteen weer weg.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk algemeen in de juiste habitat, maar gevoelig voor de kap van kustbos en struikgewas, vooral in KwaZulu-Natal en het zuiden van Mozambique. Wordt soms gevangen voor de vogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Glaucestrilda perreini | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla Perreini; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Glaucestrilda werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Glaucestrilda combineert het Griekse glaukos, 'blauwgrijs, zilverig', met de geslachtsnaam Estrilda — naar de grijze astrilden van dit geslacht. perreini eert de Franse natuuronderzoeker Jean Perrein (1750–1805), die in tropisch Afrika verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malimbe, Cabinda (Angola).