Alle soorten › Springspitsmuizen
Springspitsmuizen | Macroscelidea
Sengis | Macroscelídeos
Kleine, langpotige zoogdieren met een beweeglijke, kegelvormige snuit die door eigen spieren als een korte slurf naar alle kanten kan worden gericht en onafgebroken de bodem aftast. De ogen zijn groot en de oren breed en dun: anders dan de spitsmuizen waarop ze lijken drijven deze dieren op zicht en gehoor. De achterpoten zijn veel langer dan de voorpoten en de voeten smal, zodat ze bij verstoring in lange, snelle sprongen wegschieten; rustig lopen gebeurt op vier poten. De tong is lang en wordt ver buiten de mond gestoken om mieren en termieten op te nemen. Hun verwantschap ligt niet bij de insecteneters maar bij de olifanten, de zeekoeien en de klipdassen: de orde hoort in de Afrikaanse tak van de placentadieren en bereikt het gebied van deze gids alleen in Noordwest-Afrika.
Families in deze orde
- Springspitsmuizen | Macroscelididae1 soortDe snuit is het gereedschap van deze familie: kegelvormig, met eigen spieren beweeglijk gemaakt en onafgebroken over de bodem tastend, waarna een lange tong mieren, termieten en kevers oppikt. Het lichaam is licht en de achterpoten zijn dun en lang; bij gevaar schiet het dier in lange sprongen weg over een net van paadjes dat het zelf schoonhoudt en dagelijks nagaat — een obstakel op zo'n paadje kost bij de vlucht letterlijk de kop, en het schoonvegen ervan neemt een groot deel van de dag. Man en wijfje leven jarenlang op één gemeenschappelijk gebied, maar verdedigen dat elk tegen soortgenoten van het eigen geslacht en trekken verder weinig met elkaar op. De worp is klein — één of twee jongen — maar ze komen behaard en met open ogen ter wereld en lopen vrijwel meteen. In Noordwest-Afrika leeft één soort, op rotsige hellingen en steenwoestijn.