De leefgebieden van Europa

Elke soort in deze gids is gekoppeld aan de leefgebieden waar hij in Europa het meest voorkomt, volgens de EUNIS-indeling van het Europees Milieuagentschap. Die kent tien hoofdgroepen, van zee tot bebouwing, en daaronder enkele tientallen bredere formaties. Per soort staan hooguit zeven van die formaties: niet alles waar het dier ooit is gezien, maar waar het werkelijk thuishoort.

Klik op een leefgebied voor de beschrijving.

Zee A

Alle leefgebieden waarin zeewater bepalend is, van de hoogwaterlijn tot de diepzeebodem. De onderverdeling volgt de ondergrond en de diepte: harde rotsbodem en los sediment in de getijdenzone, dezelfde tweedeling onder de laagwaterlijn, en daaronder de bodem van de diepzee. Daarnaast staan twee formaties die niet aan de bodem gebonden zijn: de open waterkolom en het zee-ijs. Voor zoogdieren loopt het bereik van de zeehonden die op het droogvallende wad rusten en in ondiep water jagen tot de walrus en de ijsbeer, die het pakijs als vaste bodem gebruiken.

  • Rotskust in de getijdenzone Rotskust in de getijdenzone A1 Hilbre Island, Dee-estuarium, Engeland 6 soorten

    Vaste rots, keien en kiezels tussen de hoogwater- en de laagwaterlijn, plus de spatzone daarboven. EUNIS legt de bovengrens bij de bovenkant van de korstmossengordel en de ondergrens waar de kelp begint; daaronder ligt de ondiepe rotsbodem. Zand en slik op dezelfde hoogte horen bij het wad. Langs de Atlantische en noordelijke kusten liggen de gordels boven elkaar: korstmossen, zeepokken en mosselen op de blootgestelde koppen, dicht bruinwier in beschutte baaien, en overal getijdenpoelen. Zeehonden gebruiken de rots niet om te eten maar om op te liggen: droge, hellende keien vlak bij diep water zijn de veiligste ligplaats die er is. Gewone en grijze zeehond rusten er en zogen er hun jongen, de mediterrane monniksrob trekt zich terug in zeegrotten met een strandje erin, en in het noorden komen ringelrob en baardrob op de rotsen van de fjorden.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Wad en slik in de getijdenzone Wad en slik in de getijdenzone A2 Waddenzee bij Föhr, Duitsland 9 soorten

    Grind, zand, slibrijk zand en slik die bij eb droogvallen, in alle mengsels daartussen. Het onderscheid met de rotskust zit in de ondergrond, dat met de zeebodem daarbuiten in het droogvallen: wat permanent onder water blijft, valt er niet onder. Grof en beweeglijk sediment herbergt weinig; fijn zand en slik houden water vast en zitten vol wormen, schelpdieren en kleine kreeftachtigen. Aan de bovenrand gaan de platen over in zeegrasvelden en kwelder. De grote Europese voorbeelden zijn de Waddenzee, de Britse estuaria, de baai van de Mont-Saint-Michel en de mondingen van Taag en Guadalquivir. Voor zeehonden zijn die platen de ligplaats zelf: gewone en grijze zeehond komen er met laagwater in groepen op, zogen er en verharen er, en in het noorden gebruikt de walrus dezelfde droogvallende banken. Baardrob, ringelrob en zadelrob duiken naar de wormen, schelpdieren en garnalen die erin zitten.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Ondiepe rotsbodem Ondiepe rotsbodem A3 Kelpwoud bij Molène, Iroise-zee, Bretagne 3 soorten

    Rots, keien en kiezels net onder de laagwaterlijn, tot de diepte waar kelp en dicht wier ophouden, ruwweg de bovenste tien tot dertig meter. De bovengrens is de bovenkant van de kelpgordel, met daarboven de rotskust die droogvalt; onder de ondergrens begint de rotsbodem zonder wiervegetatie. Langs Noorwegen, IJsland en de Britse en Ierse kusten staat hier kelpbos met rode wieren eronder; in troebel estuariumwater ontbreekt de kelp en nemen sponzen en zeepokken het over. In de Middellandse Zee is de begroeiing lager. Zoogdieren jagen hier: de gewone zeehond zoekt tussen de kelp naar platvis en inktvis, en de mediterrane monniksrob vist boven de rotsbodem vlak voor de grotten waarin hij rust.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Zeebodem van zand en slib Zeebodem van zand en slib A5 Zandbank bij Wangerooge, Duitse Waddenzee 15 soorten

    Zand, slib, grind en gemengd sediment op de bodem beneden de laagwaterlijn, tot de rand van het bathyaal op ongeveer tweehonderd meter. Het verschil met het wad is dat deze bodem nooit droogvalt; het verschil met de ondiepe rotsbodem is de losse ondergrond. In de Noordzee, de Oostzee en op de banken van de Ierse Zee liggen uitgestrekte zandvlakten met schelpdierbanken, daarnaast zeegrasvelden in beschutte baaien en maerl op grof grind. Dit is het jachtveld van de zeehonden. Wat ze halen ligt in of vlak boven de bodem: platvis, zandspiering, garnalen en schelpdieren. Gewone en grijze zeehond jagen er in de Noordzee en de Oostzee, de walrus ploegt met zijn snorharen de zandbodem af op zoek naar tweekleppigen, en klapmuts en zadelrob duiken er dieper dan de rest.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Open zee Open zee A7 Golf van Biskaje, Atlantische Oceaan 21 soorten

    Het water zelf, los van bodem en kust: van kustwater en zeearmen tot de oceaan boven de diepzee. EUNIS deelt de kolom in naar zoutgehalte, gelaagdheid en diepte, van de verlichte bovenlaag tot de abyssopelagische zone, en tekent erbij aan dat dezelfde plek in de loop van het jaar onder een ander type valt, omdat de gelaagdheid met de seizoenen verschuift. In Europa gaat het om de Noordzee en de Oostzee, de Golf van Biskaje, de rand van het continentaal plat en de diepe Atlantische wateren rond de Azoren en Madeira. Zoogdieren steken die open ruimte over: de klapmuts en de zadelrob brengen er het grootste deel van het jaar door en komen alleen op het ijs om te werpen en te verharen, en de ijsbeer zwemt er tientallen kilometers in om van de ene ijsplaat naar de andere te komen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Zee-ijs Zee-ijs A8 Drijfijs op zee bij Spitsbergen, Svalbard 7 soorten

    Zee-ijs, ijsbergen en alles wat daarbij hoort: drijvend pakijs, losse schotsen, de onderkant van het ijs en de open geulen tussen de platen. Het gaat om het ijs als leefgebied, niet om de waterkolom of de bodem eronder. In Europa ligt het rond Spitsbergen, Frans Jozefland en Nova Zembla en langs de oostkust van Groenland, en elke winter ook in de noordelijke Oostzee en de Witte Zee; de rand trekt zich in de zomer noordwaarts terug en komt in de winter weer omlaag. Aan de onderkant van het ijs groeien algen die krill en vlokreeften voeden en daarmee ook vis. Voor zoogdieren is dit ijs geen hindernis maar de bodem waarop hun leven staat. De ringelrob houdt ademgaten open en werpt in een sneeuwhol op het vaste ijs, zadelrob en klapmuts werpen in grote groepen op het drijfijs, de walrus gebruikt de schotsen als ligplaats boven ondiep water, en de ijsbeer loopt er zijn hele jachtgebied op af.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Kust B

Alles wat boven de springvloedlijn ligt en zijn karakter ontleent aan de nabijheid van de zee: duinen en beboste duinen, zandstranden, kiezelbanken, zeekliffen en rotskusten, inclusief de strook die alleen nog door opspattend zeewater wordt bereikt. Vloedmerken en vochtige duinvalleien horen erbij, poelen in de rotskust en kustnabije terreinen zonder zoutinvloed niet. EUNIS deelt de groep naar ondergrond: zand, grind of vast gesteente. Voor zoogdieren is het een smalle, onrustige strook: los zand en spleten leveren holen en dagrustplaatsen, maar zout, wind en menselijk gebruik beperken wat er standhoudt.

  • Duinen en zandstranden Duinen en zandstranden B1 Tràigh Baile Aonghais, Isle of Harris, Schotland 31 soorten

    Zandstranden boven de vloedlijn en het hele duinsysteem daarachter: embryonale duintjes, witte duinen, vastgelegde grijze duinen, vochtige duinvalleien en de heide, struwelen en bossen die op oude duinen groeien. Onder de vloedlijn begint het getijdengebied; ligt er grind in plaats van zand, dan valt de kust onder de kiezelstranden, en bij vast gesteente onder de rotskusten. Landduinen ver van zee horen er niet bij. In Europa loopt de gordel van Noorwegen tot de Zwarte Zee, met helm op de jonge duinen en mos, korstmos en schraal grasland op de grijze. Het losse zand laat zich makkelijk uitgraven en begrazing houdt de zode kort: het konijn heeft er zijn burchten en houdt samen met de haas de grijze duinen open, en langs de Iberische kust neemt de Iberische haas die rol over.

    Naar de soorten

  • Kiezelstranden Kiezelstranden B2 Aber Mawr, Pembrokeshire, Wales 3 soorten

    Stranden en banken van kiezel, soms van grovere keien, opgeworpen door de golfslag langs de open kust, langs binnenzeeën en langs kustlagunes. Het verschil met het zandstrand zit in de korrel: kiezel houdt geen water vast en waait niet op, zodat er geen duin ontstaat. Anders dan bij een rotskust ligt het materiaal los. In Europa zijn de grootste voorbeelden de schoorwallen van Zuid-Engeland en het Kanaal, de grindstranden van de Oostzee, IJsland en de noordelijke fjorden, en de steile kiezelstranden van de Middellandse Zee. De begroeiing is ijl: zeekool, gele hoornpapaver, zeelathyrus. Zoogdieren komen er om te rusten. De grijze zeehond werpt op afgelegen kiezelbanken waar geen mens komt, de mediterrane monniksrob gebruikt het kiezelstrandje achter in een zeegrot, en in het noorden ligt de walrus er in groepen op de grindstranden.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Zeekliffen en rotskusten Zeekliffen en rotskusten B3 Handa Island, Sutherland, Schotland 11 soorten

    Rotswanden, richels, grotten en rotsplaten die aan zee grenzen of er door een smalle strook van gescheiden zijn, boven de springvloedlijn. Beneden die lijn ligt het rotsgetijdengebied, dat EUNIS marien noemt; los kiezel hoort bij de kiezelstranden. Zowel kale kliffen en rotseilandjes als kliffen met zoutminnende begroeiing vallen eronder, en ook de zachte kliffen van klei en keileem. De zone loopt van Spitsbergen en IJsland langs Noorwegen en Bretagne tot de kalkkliffen van de Middellandse Zee en de vulkanische kusten van Macaronesië, met korstmossen, Engels gras en rotsvenkel op de randen. Voor zoogdieren is deze kust vooral doorgangsgebied; alleen de otter houdt er stand, langs de kusten van Schotland, Ierland en Noorwegen, waar hij in zee vist en zijn ligplaats heeft in spleten en holen boven de vloedlijn.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Binnenwater C

Al het open water in het binnenland: rivieren, beken, meren, plassen, poelen en bronnen, met de oevers erbij zolang die zo vaak onderlopen dat er geen gesloten landvegetatie ontstaat. Zowel zoet als brak water telt mee, en ook gegraven water — kanalen, reservoirs, vijvers — zodra er een halfnatuurlijke levensgemeenschap in zit. Blijvende sneeuw en ijs vallen erbuiten. EUNIS deelt de groep in naar stilstaand water, stromend water en de oeverzone daartussen. Voor zoogdieren komt het erop neer dat een deel van de soorten in het water zelf jaagt of bouwt, terwijl de rest er drinkt en boven de waterspiegel op insecten jaagt.

  • Stilstaand water Stilstaand water C1 Torisevan rotkojärvi, Virrat, Finland 28 soorten

    Meren, plassen, poelen en vennen met een open waterspiegel, zoet, brak of zout, van nature ontstaan of gegraven — kanalen, reservoirs en vijvers tellen mee zodra er een halfnatuurlijke levensgemeenschap in leeft. Het onderscheid met stromend water zit in de beweging: hier staat het water, of het verplaatst zich zo traag dat het er niet toe doet. De begroeide oeverrand zelf hoort bij de oeverzone. In Europa loopt de reeks van gletsjermeren in Scandinavië en de Alpen tot laagveenplassen in de delta’s en brakke steppemeren in Zuid-Rusland; diepte, kalkgehalte en voedselrijkdom bepalen wat er groeit. Voor zoogdieren tellen de oeverlijn en het insectenleven boven het water: de otter jaagt er op vis, de Europese bever legt zijn burcht in de oever aan en de gewone dwergvleermuis scheert bij het invallen van de avond laag over de waterspiegel achter de muggen aan.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Stromend water Stromend water C2 Clemgia bij S-charl, Engadin, Zwitserland 32 soorten

    Stromend water in al zijn vormen: bronnen, beken, rivieren en waterlopen die alleen na regen of smelt water voeren. Wat het scheidt van stilstaand water is de stroming zelf — zodra het water staat, of achter een stuw tot reservoir wordt, hoort het daarbij; de grindbanken en de oeverbegroeiing vallen onder de oeverzone. In Europa loopt de reeks van steile bergbeken met keien en witwater, via grindrivieren met wisselende beddingen, naar trage laaglandrivieren met slibbodem. Zoogdieren volgen de stroom vanaf de oever: de otter jaagt in heldere bovenlopen en visrijke benedenlopen, de Europese bever damt smalle beken af en graaft holen in steile oevers, en langs Duitse en Franse rivieren heeft de gewone wasbeer zich als exoot gevestigd.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Oeverzone van binnenwateren Oeverzone van binnenwateren C3 Oezero Dobre, Wolynië, Oekraïne 54 soorten

    De strook die vaak genoeg onderloopt om gesloten landvegetatie tegen te houden: rietkragen en andere oeverbegroeiing langs meren, rivieren en beken, drooggevallen bodems van rivieren en meren, en de rots, het grind, het zand en de modder in en naast de bedding. Het is de overgang tussen het open water en het land erachter, en het houdt op waar struweel of grasland zich sluit. In Europa varieert het van brede rietmoerassen in de delta’s tot smalle biezenzomen, kale slikranden van leeggelopen stuwmeren en grindige rivierstranden. Voor zoogdieren is de oeverzone de plek waar water en land elkaar raken: de otter heeft er zijn holen en wisselplaatsen onder overhangende oevers, en de Europese bever vindt er de wilg en de riet- en kruidenbegroeiing waarvan hij leeft.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Venen en moerassen D

De natte gronden waar het water minstens een half jaar op of boven het maaiveld staat en waar kruiden, zeggen of dwergstruiken overheersen; open water, bos en struweel vallen erbuiten. De onderverdeling volgt de herkomst van het water: veen dat alleen regen krijgt, veen dat door grond- of kwelwater wordt gevoed, de gepatroneerde venen van het hoge noorden, riet- en zeggemoeras, en zilte moerassen ver van de kust. Voor zoogdieren zijn dit terreinen waar graven nauwelijks mogelijk is en de dekking in de vegetatie zit, niet in de bodem.

  • Hoogveen Hoogveen D1 Viru raba, Nationaal Park Lahemaa, Estland 12 soorten

    Veen dat door regen wordt gevoed en niet door water dat van hogerop toestroomt: dat is voor EUNIS het onderscheid met laagveen en overgangsveen. De bodem is zuur en voedselarm, en de code geldt ook voor venen die nu niet meer aangroeien. In het laagland van Ierland, de Baltische landen, Polen en Fennoscandinavië liggen ze als koepels boven hun omgeving; in het natte westen van Ierland, Schotland en Noorwegen bedekt het veen als een deken hele hellingen. Veenmos, dophei, wollegras en lavendelhei groeien er, met bulten, slenken en veenputten ertussen. Zoogdieren vinden er een zure, voedselarme bodem waarin graven slecht gaat en waar de winter lang duurt. Aardmuis en noordse woelmuis houden zich aan de drogere bulten en de zeggenpollen, de boslemming leeft van het veenmos zelf, en de berglemming trekt er in piekjaren in grote aantallen doorheen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Overgangsveen en trilveen Overgangsveen en trilveen D2 Holmtjärnen, natuurreservaat Stockholmsgata, Ångermanland, Zweden 5 soorten

    Zwak tot sterk zuur veen dat, anders dan hoogveen, wel water uit de omgeving ontvangt: kwel uit een helling, water in een beekdal, of de overgang tussen land en open water. EUNIS rekent er ook trilveen en niet-kalkrijke bronvenen toe; is het toestromende water kalkrijk, dan valt het terrein onder het basenrijke laagveen. Het gaat om kleine natte laagten in beekdalen en verlandende meertjes, met veenmos, veenpluis, snavelzegge en wateraardbei op zoden die onder de voet meegeven. Voor zoogdieren betekent dat dekking en een zode die onder de voet meegeeft: de noordse woelmuis houdt er zijn laatste Nederlandse bolwerken, de boslemming zoekt er het dikste veenmos, en de berkenmuis klimt er in de zeggen en de ruigte.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Aapa- en palsavenen Aapa- en palsavenen D3 Joutsenenpesäaapa bij Sodankylä, Fins Lapland 3 soorten

    Gepatroneerde veencomplexen van de arctische, subarctische en noordelijk-boreale zone. Wat ze van gewoon hoogveen onderscheidt is het patroon dat vorst en traag afstromend water in het oppervlak leggen: bij aapavenen langgerekte veenruggen dwars op het verhang met natte flarken ertussen, bij palsavenen heuvels van enkele meters hoog met een ijskern die scheurt en instort, en in de toendra polygoonvenen. Ze liggen in Noord-Fennoscandinavië en Noord-Rusland, met dwergberk en wollegras op de droge delen en zeggen in de natte. Voor zoogdieren telt vooral de sneeuw die 's winters over dat patroon ligt: daaronder blijft het net leefbaar. De berglemming graaft er zijn wintergangen in en werpt er onder de sneeuw, en in piekjaren loopt het hele complex vol met zijn sporen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Basenrijk laagveen Basenrijk laagveen D4 Cors Bodeilio, Anglesey, Wales 1 soort
  • Riet- en zeggemoeras Riet- en zeggemoeras D5 Federsee, Bad Buchau, Baden-Württemberg, Duitsland 39 soorten

    Velden van riet, lisdodde, mattenbies en grote zeggen op natte, vaak venige bodem waar normaal geen open water staat. Dat laatste is de grens: rijzen dezelfde stengels op uit het water langs een plas of rivier, dan rekent EUNIS ze tot de oeverbegroeiing. Zulke moerassen liggen in verlandende meren, oude rivierlopen, polders en delta's — de Donaudelta, de Biebrza, het Neusiedlermeer, de Nederlandse en Baltische laagvenen — vaak vele vierkante kilometers aaneen, met ruigte en wilgenstruweel op de drogere randen. Het dichte riet geeft dekking waar weinig anders die biedt: het wild zwijn ligt er overdag in en woelt de wortelstokken om, de otter trekt er zijn paden doorheen, de gewone bosspitsmuis jaagt in de strooisellaag en de Europese bever gebruikt de drogere randen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Brakke en zoute moerassen binnendijks Brakke en zoute moerassen binnendijks D6 Nationalpark Neusiedler See-Seewinkel, Burgenland, Oostenrijk 5 soorten

    Zilte en brakke moerassen ver van de kust: de binnenlandse tegenhanger van de kwelders en zilte rietvelden aan zee. De begroeiing kan gesloten of open zijn, maar de bodem moet nat blijven; droogt hij op, dan spreekt EUNIS van zoutsteppe of zilt struweel. Ze ontstaan waar zout in de ondergrond zit en de verdamping de neerslag overtreft: de Pannonische vlakte, de lagunes van La Mancha en het Ebrodal, de steppemeren van Anatolië en de Kaspische laagte. Zeekraal, schorrekruid en kweldergras staan er in vlekken, met zoutaanslag op de kale plekken ertussen. Zoogdieren zijn er weinig, want de bodem is nat en zout en graven gaat er slecht; de noordse woelmuis houdt zich aan de hogere zeggen- en rietkragen langs de randen, precies zoals hij dat in de zilte delen van het Nederlandse laagveen doet.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Graslanden E

Alle niet-kustgebonden landschappen die droog zijn of hooguit een deel van het jaar nat, met meer dan dertig procent begroeiing van grassen, kruiden, zeggen, varens, mossen en korstmossen. Akkers vallen erbuiten. De onderverdeling loopt van droge en vochtige graslanden via natte hooilanden en alpiene matten naar bosranden, zoutsteppe en boomweide. Voor zoogdieren is het open, laag terrein waar gegraven en gegraasd wordt, en waar het beheer — beweiding of maaien — bepaalt wat er blijft.

  • Droge graslanden Droge graslanden E1 Dreisbach bij Ehringshausen, Lahn-Dill-Kreis, Hessen, Duitsland 133 soorten

    Goed doorlatende of droge grond met een begroeiing van grassen en kruiden, doorgaans onbemest en weinig productief; ook de steppen met alsem horen erbij. De grens ligt bij de struiken: zodra op mediterrane droge grond struikgewas van andere geslachten meer dan een tiende van de bodem bedekt, spreekt EUNIS van garrigue, en waar de grond vochtiger en voedselrijker wordt, begint het vochtige grasland. In Europa gaat het om kalkhellingen met tijm en schapengras, om Pannonische zandsteppen en om de open steppevlakten van Iberië en Anatolië. De korte, open zode laat zich graven en houdt het zicht vrij: de siesel en de bobakmarmot leggen hun kolonies aan in de Pannonische en Ponto-Sarmatische steppen, de veldmuis bereikt er in goede jaren hoge dichtheden en de haas ligt er in een leger tussen de pollen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Vochtige graslanden en hooiland Vochtige graslanden en hooiland E2 Spitzberg bij Limbach, Odenwald, Duitsland 107 soorten

    Weiden en hooilanden van laagland en berghellingen op matig tot zeer voedselrijke bodem die niet het hele jaar nat staat, in de boreale, nemorale, warm-gematigde en mediterrane zone. Ze zijn vruchtbaarder dan de droge graslanden en droger dan de natte; ingezaaide en bemeste percelen, sportvelden en gazons vallen er ook onder. In Europa is dit het gewone boerenland: beweide kamgrasweiden, hooilanden met boterbloem en margriet, en de zwaar bemeste raaigraspercelen die daarvoor in de plaats zijn gekomen. Wormen, emelten en insecten maken de bodem lonend, al bepaalt de maaidatum wat er overleeft: de Europese mol werkt zich door de zode heen, de veldmuis en de haas houden zich in de ruigere randen op, en de das komt er ’s nachts wormen zoeken.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Natte graslanden Natte graslanden E3 Attenborough Nature Reserve, Nottinghamshire, Engeland 27 soorten

    Onbemeste of licht bemeste hooilanden en ruigten op grond die 's winters en in het voorjaar onder water staat of doorweekt is, van de boreale zone tot in het Middellandse Zeegebied en de steppen. De grens met het vochtige grasland ligt bij de grondwaterstand; blijft het water het hele jaar staan, dan gaat het over in moeras en rietland. In Europa zijn het uiterwaarden en polders, dotterbloemhooiland en blauwgrasland, en de tijdelijk overstroomde vlakten van de Pannonische en Iberische laagten. Voor zoogdieren is de winterse overstroming de beperking: wie hier graaft, moet het hoger gelegen deel kiezen. De Europese mol werkt in de opgehoogde randen en op de drogere kopjes, waar de doorweekte grond vol wormen en larven zit.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Alpiene graslanden Alpiene graslanden E4 Lac Noir, Sainte-Foy-Tarentaise, Savoie, Frankrijk 51 soorten

    Gras- en zeggenmatten van de alpiene en subalpiene gordel van de Europese gebergten en van de Kaukasus en Anatolië, zowel de natuurlijke matten boven de boomgrens als de door eeuwenlange beweiding opengehouden weiden daar net onder. Waar de begroeiing te ijl wordt en steen en puin overheersen, houdt de formatie op. Het zijn korte, bloemrijke zoden van zwenkgras en zegge, doorsneden door sneeuwdalletjes en blokvelden, in de Alpen, Pyreneeën, Karpaten, het Scandinavische fjell en de Balkan. Voor zoogdieren telt de korte zomer waarin het hele jaar bij elkaar gegeten moet worden: de alpenmarmot graaft zijn burchten in de mat en verslaapt de rest van het jaar, de gems graast tot aan de sneeuwgrens en de sneeuwhaas houdt zich op in de blokvelden langs de rand; in het Cantabrisch gebergte neemt de Cantabrische haas die plaats in.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Bosranden en ruigten Bosranden en ruigten E5 Emmeringer Leite bij Emmering, Opper-Beieren, Duitsland 69 soorten

    De kruidachtige zoom tussen bos en open land: bosranden, open plekken en kapvlakten, en de ruigten van hoge kruiden en varens die daar en langs beken opschieten. Struweel en opgaand bos vallen erbuiten, en ook het gemaaide grasland; het gaat juist om de smalle, jaarlijks veranderende overgang. In Europa zijn het adelaarsvaren en braam op kapvlakten, zomen met wilgenroosje en boskruiden, natte ruigten met moerasspirea en subalpiene hoogstaudenvelden met monnikskap. De zoom levert dekking en voedsel tegelijk, en dat is voor zoogdieren de gunstigste combinatie: de ree vreet er de kruiden en jonge scheuten, de hazelmuis klimt door de braam en kamperfoelie van de rand, de rosse woelmuis leeft in de strooisellaag en de wilde kat jaagt er langs de bosrand op muizen.

    Naar de soorten

  • Zoutsteppe Zoutsteppe E6 Zoutkorst in de Seewinkel, Nationaal Park Neusiedler See, Burgenland, Oostenrijk 21 soorten

    Graslanden en steppen op zoute of gipsrijke bodem in het binnenland, waar het zout bij verdamping als een korst aan de oppervlakte komt. Anders dan bij de kwelders aan zee ligt het zout hier niet aan de getijden maar aan het klimaat en de ondergrond, en anders dan bij de gewone droge steppe is de begroeiing ijl en pleksgewijs open. In Europa gaat het om de Hongaarse szik-poesta, de Ponto-Sarmatische vlakten ten noorden van de Zwarte Zee en de zoutlaagten van Los Monegros en La Mancha, met zeekraal, kweldergras en lamsoor rond ondiepe meren die 's zomers droogvallen. Op de zoutkorst groeit weinig en zoogdieren zijn er schaars: de dwerggrondeekhoorn graaft zijn gangen in de drogere, iets hoger gelegen randen van de Ponto-Sarmatische zoutlaagten, en in het uiterste zuiden komt de Kaapse haas tot op de kale vlakten.

    Naar de soorten

  • Boomweide en dehesa Boomweide en dehesa E7 Dehesa in Extremadura, Spanje 35 soorten

    Grasland met een verspreide boomlaag die doorgaans minder dan een tiende van de grond bedekt. Sluit het kronendak verder, dan gaat het over in bos; verdwijnen de bomen, dan blijft gewoon grasland over. Het bekendste voorbeeld is de Iberische dehesa of montado: oude steeneiken en kurkeiken op ruime afstand boven een beweide graslaag, met runderen, schapen en varkens eronder. Ook de oude parklandschappen van Engeland en Zuid-Zweden en de boomweiden van Midden-Europa horen erbij. Voor zoogdieren is de dehesa open jachtterrein met holten erboven: het konijn graaft zijn burchten in de zandige grond en vormt er de basis van de voedselketen, de Iberische haas en de veldmuis grazen in de graslaag, en de grote hoefijzerneus jaagt op mestkevers boven het beweide land en gebruikt oude gebouwen en holle eiken als verblijfplaats.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Heide, struweel en toendra F

Het land buiten de kust dat droog is of hooguit een deel van het jaar onder water staat en dat voor meer dan dertig procent begroeid is met struiken, dwergstruiken of toendraplanten; houtige gewassen blijven er onder de vijf meter. De indeling loopt van toendra op permafrost via arctisch, alpien en gematigd struweel en heide naar de mediterrane vormen maquis, garrigue en phrygana, en verder naar oeverstruweel, heggen en struikaanplant. Voor zoogdieren levert dat dekking en voedsel vlak boven de grond, in open landschap zonder bos.

  • Toendra Toendra F1 Hardangervidda, Noorwegen 12 soorten

    Begroeide grond boven permafrost: grassen en zeggen, dwergstruiken, mossen en macrokorstmossen. In Europa blijft dat beperkt tot Spitsbergen en Noord-Rusland. Waar dezelfde planten groeien zonder permafrost, op de boreale bergen en in Fennoscandinavië en IJsland, valt het onder alpien grasland of onder arctisch struweel. Het beeld is laag en open: veenheuvels, natte laagten, duizenden poelen en meertjes, en een groeiseizoen van hooguit tien weken. Voor zoogdieren is de permafrost het probleem: diep graven gaat niet en de begroeiing blijft laag en schaars. Wie er standhoudt, teert op dwergstruiken en wilgentwijgen en zoekt luwte tussen de veenheuvels; de sneeuwhaas komt tot in deze noordelijkste begroeiing voor en wisselt er van vachtkleur met de sneeuw.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Arctisch en alpien struweel Arctisch en alpien struweel F2 Malá Fatra, Slowakije 25 soorten

    Struweel dat boven of ten noorden van de klimatologische boomgrens staat maar buiten de permafrostzone, plus struweel net onder die grens waar bomen het niet redden door langliggende sneeuw, wind of aanhoudende vraat. Die klimatologische begrenzing scheidt het van het gematigde struweel F3. In Fennoscandinavië gaat het om gordels van dwergberk, wilg en jeneverbes achter de berkenzone; in de Alpen, de Pyreneeën en de Kaukasus om alpenroos, blauwe bosbes en kruipende bergden. De struiklaag is dicht genoeg om in weg te duiken en laag genoeg om er overheen te kijken. De sneeuwhaas vreet er aan wilg en dwergberk, de gems zoekt dekking bij de bovenste struiken en de Cantabrische haas houdt zich op in het bremstruweel van het Cantabrisch gebergte; de alpenmarmot graaft zijn burcht in de open plekken ertussen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Struweel van gematigde streken en bergen Struweel van gematigde streken en bergen F3 Eselsburger Tal bij Herbrechtingen, Schwäbische Alb, Duitsland 23 soorten

    Struweel van de nemorale zone en van de submediterrane en supramediterrane bergen: zomergroene en groenblijvende struiken op plaatsen waar bos is verdwenen of nog niet is teruggekeerd. EUNIS houdt hier de heide met overheersende heideachtigen (F4) en de mediterrane maquis, garrigue en phrygana buiten. Wat overblijft zijn sleedoorn en meidoorn langs perceelsranden, braam- en rozenstruweel op verlaten akkers, hazelaar en jeneverbes op kalkhellingen, en dichte bosranden. Doornige dekking, bessen en nootjes maken het struweel voor zoogdieren tegelijk schuilplaats en voedselbron. De hazelmuis leeft er van hazelnoten en braambessen en bouwt zijn zomernest tussen de doornige takken, de rosse woelmuis houdt zich in de strooisellaag op, het konijn graaft zijn holen onder de dichtste struiken en de vos gebruikt de randen als jachtterrein.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Heide Heide F4 Lüneburger Heide, Nedersaksen, Duitsland 9 soorten

    Heide in strikte zin: struikgemeenschappen waarin heideachtigen overheersen, op zure en voedselarme bodem. Het zwaartepunt ligt in de atlantische en subatlantische zone, van Ierland en Schotland via Nederland en Noord-Duitsland tot Denemarken, met uitlopers in de Iberische en Franse bergen. Dat onderscheidt het van het doornstruweel F3, waar heideachtigen ontbreken; van het arctisch-alpiene struweel F2, dat óók heideachtigen draagt, scheidt niet de plant maar de ligging boven of ten noorden van de boomgrens. Droge struikheide, natte dopheide en gagel wisselen elkaar af, meestal in stand gehouden door begrazing, plaggen of brand. Voor zoogdieren is de heide arm aan dekking en aan voedsel van goede kwaliteit; wie er leeft moet het met dwergstruiken doen. De sneeuwhaas graast op de Schotse heidevelden aan jonge struikheide, de Cantabrische haas houdt zich aan de heide- en bremhellingen van het Cantabrisch gebergte, en de Bennettwallaby, ooit uit gevangenschap ontsnapt, graast op enkele Britse heideterreinen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Maquis en hoog mediterraan struweel Maquis en hoog mediterraan struweel F5 Noordwest-Corsica, Frankrijk 76 soorten

    Hoog, gesloten hardbladig struweel van het mediterrane laagland: aardbeiboom, mastiekboom, filirea, mirte, kermeseik en brem staan zo dicht dat de bodem vrijwel geheel bedekt is, met verspreide bomen erboven. Dat hoge en gesloten karakter scheidt maquis van de open, lage garrigue F6. Het bekleedt hellingen die te droog, te steenachtig of te vaak gebrand zijn voor bos, van Portugal tot de Levant. Zoogdieren vinden er het hele jaar dekking en in de nazomer eikels en bessen. Het wild zwijn wroet onder de kermeseik, het konijn graaft zijn holen aan de open randen, de wilde kat gebruikt het dichte struweel om ongezien te jagen en het gewone stekelvarken komt er 's nachts op knollen en wortels af.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Garrigue Garrigue F6 Pinet, Hérault, Frankrijk 44 soorten

    Open hardbladig struweel met kale grond tussen de struiken: lage cistusrozen, lavendel, rozemarijn en tijm, veel winterannuellen en voorjaarsbollen, en hier en daar een grotere struik of een losse boom. Die open structuur scheidt garrigue van de gesloten maquis F5. Het ontstaat waar groenblijvend bos is gekapt, begraasd of gebrand, vooral op kalk, en loopt van Iberië en Zuid-Frankrijk tot de Pontische kust en Anatolië. Voor zoogdieren telt de afwisseling van steen en struik: spleten en holen om de dag in door te brengen, en 's nachts kruiden, bollen en insecten. De Kaapse haas ligt overdag in een leger onder een cistusstruik, de Corsicaanse haas doet hetzelfde op Corsica en in Zuid-Italië, en het gewone stekelvarken graaft er na donker bollen en wortels uit.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Doornige mediterrane heide (phrygana) Doornige mediterrane heide (phrygana) F7 Bij Elafonisi, zuidwesten van Kreta, Griekenland 15 soorten

    Lage stekelige struiken en kussenvormige dwergstruiken op zomerdroge grond, van de kust tot hoog in droge bergen in het Middellandse Zeegebied en Anatolië. De doornen en de kussenvorm vormen het onderscheid met de garrigue F6, waar cistus en lipbloemigen de toon zetten. Kenmerkend zijn de harde kussens van Sarcopoterium en Astragalus, die in het voorjaar bloeien en in juli verdorren; vrijwel al deze terreinen worden al eeuwen begraasd. Voor zoogdieren telt vooral wat tussen en onder de doornkussens groeit: de stekels houden vee en roofdieren op afstand, zodat er in de luwte gegraasd en gegraven kan worden. De Kaapse haas vreet aan de verse scheuten na de eerste regen, de Kaapse klipdas woont in de rotspartijen tussen de kussens en de Noord-Afrikaanse goendi schuilt er overdag in spleten.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Oever- en moerasstruweel Oever- en moerasstruweel F9 Kerspetal, Bergisches Land, Duitsland 23 soorten

    Houtige begroeiing lager dan vijf meter langs rivieren en meren, in laagvenen en op drassige uiterwaarden. De grens ligt bij de hoogte: wordt het bos, dan valt het onder groep G, en waar riet en zeggen het zonder struiken overnemen begint het moeras van groep D. Het beeld is grillig: wilgengrienden en gagelstruwelen in het noorden, zomen van tamarisk en oleander langs mediterrane beddingen die in de zomer droogvallen, en dichte struwelen op grindbanken die bij elk hoogwater verschuiven. Struiken, water en riet liggen er vlak naast elkaar, zodat alles wat een zoogdier nodig heeft binnen één nacht te belopen is. De Europese bever velt er wilg en populier en legt de twijgen als wintervoorraad onder water, de otter volgt de oever van poel naar poel en de muisslaper leeft in het struweel van de Thracische laagvlakte.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Houtwallen en heggen Houtwallen en heggen FA Le Bény-Bocage, Normandië, Frankrijk 42 soorten

    Stroken houtige begroeiing in een landschap van akkers, weiden en wegen, aangelegd om vee te keren, grenzen te markeren of luwte te geven. Ze verschillen van bomenrijen (G5.1) doordat ze uit struiksoorten bestaan of, als er boomsoorten in staan, regelmatig onder de vijf meter worden gehouden. In Europa lopen ze van de bocage van Normandië en Bretagne via Engelse en Ierse heggen tot de houtwallen op de zandgronden. Vaak zijn ze het enige houtige element in open bouwland, en voor zoogdieren zijn ze vooral een route: een strook dekking die het ene bosje met het andere verbindt. De grote hoefijzerneus volgt de heggen als vliegroute en jaagt er langs, de das loopt er zijn vaste paden, de hazelmuis blijft in de dichtste delen met hazelaar en kamperfoelie en de West-europese egel maakt zijn nest onder de stambasis.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Struikaanplant en wijngaard Struikaanplant en wijngaard FB Bořetice, Zuid-Moravië, Tsjechië 16 soorten

    Aanplant van dwergbomen, struiken, leivormen en overblijvende houtige klimplanten, meestal voor fruit of bloemen, bedoeld om als volgroeide teelt houtig te blijven of om regelmatig in zijn geheel te worden geoogst. Wijngaarden vormen het grootste deel, daarnaast laagstamboomgaarden en kwekerijen. Het verschil met heg en houtwal (FA) is dat de teelt hier het hele vlak bedekt en niet een strook vormt. Hoeveel zoogdieren er zitten hangt af van het beheer: oude wijngaarden met kruiden tussen de rijen en muurtjes van droge steen herbergen veel meer dan kaalgespoten percelen. De Iberische haas ligt er overdag tussen de stokken, de muisslaper leeft in de boomgaarden en wijngaarden van Thracië en de Kaukasuseekhoorn komt in de aanplant van Anatolië en de Kaukasus op noten en fruit af.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Bos G

Alle begroeiing waarin bomen de kroonlaag bepalen: minstens tien procent bedekking door houtige gewassen die bij volgroeiing vijf meter kunnen halen. Ook recent gekapte of afgebrande percelen horen erbij, zolang er weer bos van wordt. EUNIS deelt de groep in naar bladtype — loofbos, altijdgroen loofbos, naaldbos en gemengd bos — en zet daarnaast bomenrijen, bosjes en jonge aanplant apart. Kroonlaag, ondergroei en dood hout leveren elk hun eigen zoogdieren, en holten in oude stammen bieden onderdak dat in open land ontbreekt.

  • Loofbos Loofbos G1 Berg Pangaion, Macedonië, Griekenland 121 soorten

    Bos van zomergroene loofbomen die in de winter hun blad laten vallen. Menging met altijdgroene loofbomen mag, zolang het bladverliezende deel overheerst; zodra naaldbomen meer dan een kwart van de kroonbedekking innemen, rekent EUNIS het tot gemengd bos. Het beslaat het grootste deel van laag- en heuvelland-Europa: eiken- en beukenbos, haagbeuk en linde, berk naar het noorden toe, en langs de rivieren ooibos van els, wilg en populier. De kroon sluit pas in mei, zodat de ondergroei in het voorjaar bloeit. Oude stammen leveren holten en de mast van eik en beuk valt precies voor de winter: de relmuis vreet zich er vet en slaapt zeven maanden in een boomholte, het wild zwijn wroet de strooisellaag om op zoek naar eikels, de ree vreet aan de ondergroei en de vale vleermuis plukt zijn prooi van de bosbodem.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Altijdgroen loofbos Altijdgroen loofbos G2 Fanal, Madeira, Portugal 42 soorten

    Bos van breedbladige bomen die hun blad het hele jaar houden: hardbladige soorten als steeneik en kurkeik in het Middellandse Zeegebied, en laurierachtige bomen in het vochtige, warm-gematigde klimaat. Dat onderscheidt het van loofbos, waar het blad in de winter valt, en van naaldbos. Op het vasteland gaat het om donkere, dicht gesloten eikenbossen met een schrale ondergroei van mastiek en steenlinde; op Madeira, de Azoren en de Canarische Eilanden om laurierwoud in de wolkenzone, met epifyten en varens. Eikels en laurierbessen houden er 's winters zoogdieren vast, en de oude kronen bieden slaapplaats: de Berberaap leeft in de kurkeikbossen van Noord-Afrika en op de rots van Gibraltar, de relmuis vreet eikels en slaapt in de holten, de Euraziatische rode eekhoorn legt voorraden eikels aan en het gewone stekelvarken zoekt 's nachts in de schrale ondergroei naar wortels en bollen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Naaldbos Naaldbos G3 Satakunta, Finland 74 soorten

    Bos waarin naaldbomen de kroonlaag beheersen: sparren, dennen, zilverspar, ceder, jeneverbes en taxus, en de bladverliezende lariks. Nemen loofbomen meer dan een kwart van de kroonbedekking in, dan is het gemengd bos. Het strekt zich uit van de taiga in Fennoscandinavië en Rusland, waar fijnspar en grove den kilometers ver aaneengesloten staan, tot eilanden van zilverspar en zwarte den, waaronder de Corsicaanse, in de Alpen, de Pyreneeën, de Balkan en de Middellandse Zeegebergten. De bodem is zuur en de ondergroei bestaat uit mos, bosbes en heide. Zaad in kegels, dood staand hout en dichte dekking bepalen er wat kan leven: de Euraziatische rode eekhoorn teert op sparren- en dennenzaad en verraadt zich door de afgeknaagde kegels, de gewone vliegende eekhoorn zweeft in de Finse en Baltische taiga van stam naar stam, de sneeuwhaas is er 's winters wit tussen de donkere stammen en de Euraziatische lynx jaagt op ree in de dichtste opstanden.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Gemengd bos Gemengd bos G4 Massief van de Śnieżnik, Sudeten, Polen 74 soorten

    Bos waarin naald- en loofbomen samen de kroonlaag vormen en geen van beide groepen boven driekwart van de bedekking uitkomt. Blijft het aandeel naaldhout onder een kwart, dan valt het onder loofbos; blijft het loofhout eronder, onder naaldbos. Het zwaartepunt ligt in de boreonemorale gordel tussen taiga en gematigd loofbos — Zuid-Scandinavië, de Baltische staten, Wit-Rusland en Midden-Rusland — en verder in de bergen van Midden- en Zuid-Europa, waar beuk, zilverspar en fijnspar op één helling staan. De menging levert tegelijk holten in oud loofhout en dekking in dichte naaldkronen op: de gewone vliegende eekhoorn nestelt in holten van oude espen en zoekt zijn voedsel in de kronen, de vale vleermuis gebruikt dezelfde holten als kraamkolonie, de bruine beer teert er in de nazomer op bessen en mast, en de wolf jaagt op ree in de uitgestrekte opstanden van Wit-Rusland en de Baltische staten.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Bomenrijen, parkbos en kapvlakten Bomenrijen, parkbos en kapvlakten G5 Bij Kilby, Leicestershire, Engeland 44 soorten

    Smalle stroken en kleine snippers bos: rijen bomen langs wegen, sloten en akkers, houtwallen met opgaande bomen, bosjes en aanplant van minder dan een halve hectare, en daarnaast percelen die pas gekapt zijn, hakhout en jonge opslag die weer tot bos uitgroeit. Parkland met wijd uiteenstaande bomen valt er niet onder; dat staat bij de graslanden. Het is het bos van het boerenland, in Europa overal aanwezig en meestal beheerd. De rand telt hier meer dan de kern: veel zoom, veel licht, veel insecten, oude knotbomen met holten. Kapvlakten en jonge opslag hebben hun eigen zoogdieren: de ree vindt er in het lage blad de beste vraat van het jaar, de haas gebruikt de open plekken en de bosrand ernaast, de das graaft zijn burcht in de wal onder oude bomen en de gewone dwergvleermuis jaagt langs de bomenrijen op muggen en motten.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Kaal en schaars begroeid land H

Het land zonder gesloten plantendek: minder dan dertig procent van de bodem is begroeid, en de grond is droog of hooguit een deel van het jaar nat. De onderverdeling volgt de ondergrond en de manier waarop die is ontstaan: grotten, puinhellingen, rotswanden en rotsplateaus, sneeuw en ijs, overig kaal land en stuifzand, en terrein van recente vulkanische oorsprong. Voor zoogdieren betekent het weinig voedsel en weinig dekking, maar spleten, holten en losse steen om zich in terug te trekken.

  • Grotten Grotten H1 Ingang van de Malancagrot, Kras, Slovenië 43 soorten

    Natuurlijke grotten en grotstelsels, met de gangen, schachten en ondergrondse wateren die erbij horen, en de interstitiële ruimten in gesteente en grind. Verlaten ondergrondse mijnen en tunnels rekent EUNIS er als vervangend leefgebied bij; de rotswand waarin de ingang ligt hoort bij de rotswanden en rotsplateaus. In Europa liggen de meeste in kalksteen — het Dinarisch karst, de Alpen, de Pyreneeën, het Cantabrisch gebergte, de Karpaten — met daarnaast gipsgrotten en lavatunnels. Binnen is het donker, wijkt de temperatuur het hele jaar nauwelijks af en is de lucht verzadigd met vocht; er groeit niets, al het voedsel komt van buiten. Dat is precies wat een winterslaap vraagt. De grote hoefijzerneus hangt vrij aan het gewelf met de vleugels om zich heen, de vale vleermuis kruipt in spleten en vormt in het zuiden kraamkolonies van honderden dieren.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Puinhellingen Puinhellingen H2 Serra de Rius, Catalaanse Pyreneeën, Spanje 44 soorten

    Hellingen van steengruis, grind en blokken die onder rotswanden liggen en door vorst en zwaartekracht in beweging blijven. EUNIS scheidt ze van de rotswand zelf, waar het gesteente op zijn plaats zit, en van stabiel blokveld, morene en stuifzand, die onder H5 vallen. In Europa liggen ze vooral in het hooggebergte — Alpen, Pyreneeën, Karpaten, Balkan, Scandinavië — en in de kalkbergen rond de Middellandse Zee, met materiaal van fijn gruis tot blokken van een meter. De begroeiing is ijl: planten met lange wortelstokken die met het schuivende puin meegroeien. Voor zoogdieren tellen de holtes tussen de stenen en de zekerheid van een steile helling. De gems loopt er zonder moeite overheen en wijkt bij gevaar naar het puin uit, de alpenmarmot graaft zijn burcht in de fijnere grond aan de rand en gebruikt de blokken als uitkijkpost, en de sneeuwhaas drukt zich overdag in een holte tussen het gruis.

    Naar de soorten

  • Rotswanden en rotsplateaus Rotswanden en rotsplateaus H3 Vega de Liordes, Picos de Europa, Spanje 71 soorten

    Rotswanden, rotshellingen en kale rotsplateaus in het binnenland: gesteente dat op zijn plaats zit, onbegroeid of hoogstens bezet met korstmossen, mossen en planten in de spleten. Dat onderscheidt de formatie van de puinhelling, waar het gesteente juist is afgebroken en verplaatst. Delen van zeekliffen waar geen zoutspray meer komt horen er wel bij, vers vulkanisch gesteente niet. In Europa gaat het om kalksteenkloven en karstplateaus, granietkoppen, canyonwanden en de wanden van het hooggebergte. Voor zoogdieren telt vooral de spleet: een holte in de wand is droog, koel en van onderaf niet te bereiken. De gems houdt zich staande op de smalle richels, de berberaap slaapt in de kloofwanden van de Atlas en het Rifgebergte, de eikelmuis nestelt in spleten van kalksteenrotsen, en in het bergland van de Levant leeft de kaapse klipdas in kolonies tussen de blokken aan de voet van de wand.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Sneeuw en ijs Sneeuw en ijs H4 Gletsjertong van de Vatnajökull, IJsland 3 soorten

    Terrein dat het hele jaar onder sneeuw of ijs ligt: gletsjers, ijskappen en sneeuwvelden die ook in de zomer niet wegsmelten. Daar ligt de grens met de kale rots en het puin eromheen, die in de zomer wel vrijkomen; zee-ijs valt buiten deze groep. In Europa gaat het om de Alpen en de Kaukasus, de ijskappen van IJsland en Noorwegen, Spitsbergen en Nova Zembla. Planten groeien er niet, wel algen in de sneeuw, en insecten waaien er met de wind op. Zoogdieren wonen er niet, ze steken het over of jagen aan de rand. De ijsbeer loopt over gletsjers en firnvelden van de ene kust naar de andere, en de Saimaazeehond werpt zijn jong in een hol dat hij uitgraaft in de sneeuwhoop tegen een oever van het meer — zonder die sneeuw geen jong.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Kaal land en stuifzand Kaal land en stuifzand H5 Castildetierra, Bardenas Reales, Navarra, Spanje 60 soorten

    De restcategorie van de hoofdgroep: kaal of nauwelijks begroeid binnenland dat geen rotswand, puinhelling, sneeuwveld of vers vulkanisch terrein is. EUNIS rekent er onder meer stuifzand en binnenlandse duinen toe, morenen en blokvelden, steenwoestijn en kale steppebodem, verbrande grond en kaalgetrapte plekken; verharde stadsgrond hoort bij hoofdgroep J. In Europa loopt dat van de zandvlakten en sandurs van IJsland tot de hamada en reg van de Levant, met daartussen de kale zand- en grindsteppen van Iberië, Anatolië en de Pannonische vlakte. Zoogdieren vinden er geen dekking boven de grond en wijken daarom naar beneden uit of vertrouwen op snelheid. De dwerggrondeekhoorn graaft zijn holen in de kale zand- en grindsteppe en verdwijnt bij het eerste alarm, de kaapse haas heeft geen hol en drukt zich in een ondiep leger, en de Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis loopt op vaste paadjes over de steenwoestijn.

    Naar de soorten

Akkers en tuinen I

Alles wat door regelmatig ploegen of spitten in stand wordt gehouden, en grond die pas geleden nog werd bewerkt: bouwland, moestuinen, siertuinen en parken. Ook akkers die onder water worden gezet, zoals rijstvelden, horen erbij. Boomgaarden, boomkwekerijen en aanplant van bomen vallen erbuiten, evenals gazons en sportvelden. EUNIS onderscheidt twee formaties: akkers en moestuinen, en tuinen en parken. Het zijn door mensen gemaakte leefgebieden, en wat ze voor zoogdieren waard zijn hangt vooral af van hoe intensief er wordt geteeld.

  • Akkers en moestuinen Akkers en moestuinen I1 Bij Trendelburg, Hessen, Duitsland 143 soorten

    Land dat is ingezaaid met gewassen die jaarlijks of met vaste tussenpozen worden geoogst en dat geen bomen of struiken draagt: granen, zonnebloemen en andere oliezaden, bieten, aardappelen, peulvruchten en voedergewassen. Boomgaarden en blijvend grasland vallen af; braakliggende en pas geploegde akkers horen er wel bij, en ook natte teelten als de rijstvelden van de Po-vlakte en de Guadalquivir. De schaal loopt uiteen van kavels van tientallen hectaren tot smalle stroken met onkruidzomen en hagen, en juist die randen bepalen wat er aan zoogdieren zit. De veldmuis leeft van het gewas zelf en bereikt in gunstige jaren dichtheden van honderden per hectare, de haas legt zijn jongen in een ondiep leger tussen de voren, het wild zwijn vreet zich vol in mais en graan, en in de akkerbouwsteppen van Midden- en Oost-Europa houdt de siesel zijn kolonies aan de onbewerkte randen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Tuinen en parken Tuinen en parken I2 Oosterpark, Amsterdam, Nederland 63 soorten

    Bewerkte grond in tuinen en parken: moestuinen, siertuinen, plantsoenen op stadspleinen en de grotere aangelegde parken. Volkstuinen rekent EUNIS niet hierbij maar bij de akkers, en gazons en sportvelden vallen onder het grasland. Wat overblijft is een mengsel van gemaaid gras, borders, hagen, sierheesters en aangeplante bomen, vaak uitheems, met in oude stadsparken zware stammen, holten en dood hout. Voor zoogdieren werkt dat als een bosrand: dekking op verschillende hoogten, onderdak en het hele jaar door voedsel. De West-europese egel doorkruist 's nachts tuin na tuin en overwintert onder een takkenhoop, de Europese mol werpt zijn hopen op het gemaaide gras, de Euraziatische rode eekhoorn houdt stand in oude stadsparken met zware bomen, en de gewone dwergvleermuis jaagt langs de lanen en boven de vijvers op insecten die op de lantaarns afkomen.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Bebouwd en industrieel J

Alles wat gebouwd of aangelegd is: steden en dorpen, losse bebouwing op het platteland, groeven en mijnen, wegen, spoor en ander verhard terrein, kunstmatige wateren met een gemetselde bodem of sterk vervuild water, en stortplaatsen. Verlaten ondergrondse mijnen horen er niet bij; die staan bij de grotten. De groep is verdeeld in zes formaties, J1 tot en met J6, van dichte stadsbebouwing tot vuilstort. Voor zoogdieren werken deze plekken vooral als vervanging van rots, holte en grot, en als voedselbron waar het hele jaar wat te halen valt.

  • Stad en dorp Stad en dorp J1 Kulmbach, Beieren, Duitsland 36 soorten

    De dichte bebouwing van steden, dorpen en buitenwijken: woonhuizen, kantoren, kerken, fabriekshallen, muren, daken en bouwputten, met de verharding daartussen. Wat het scheidt van de losse bebouwing is de dichtheid: waar tussen de gebouwen nog akker of weiland overheerst, hoort het bij de losse bebouwing. Tuinen en parken worden apart geteld. Wat gebouwen voor zoogdieren doen, is rots nabootsen: spouwen, spleten achter betimmering, zolders en kelders dienen als dagverblijf en als winterverblijf. De gewone dwergvleermuis kruipt in de spouw en jaagt onder de straatverlichting, de huismuis leeft binnenshuis en in voorraadruimten, de vos heeft in veel steden vaste burchten onder schuren en spoortaluds, en de gewone wasbeer nestelt in Duitse steden op zolders en in schoorstenen.

    Naar de soorten

  • Erven en losse bebouwing Erven en losse bebouwing J2 Holmstadengen, Østre Toten, Noorwegen 63 soorten

    Losse bebouwing op het platteland: boerderijen, schuren, stallen, kapellen, verspreide huizen en de muren en hekken daaromheen. Het onderscheid met de dichte bebouwing zit niet in het gebouw maar in wat eromheen ligt — hier houdt land, erf of boomgaard de overhand en staan de gebouwen uit elkaar. In Europa gaat het van gemengde bedrijven in het noordwesten tot stenen gehuchten rond de Middellandse Zee. Open stallen, ongestoorde zolders en insecten boven het erf leveren onderdak dat in de stad ontbreekt. De vale vleermuis heeft zijn kraamkolonies op kerk- en boerderijzolders, de grote hoefijzerneus hangt in warme zolderruimten en jaagt langs de houtwallen eromheen, de relmuis overwintert in schuren en spouwen, en de West-europese egel scharrelt langs de mestvaalt en de houtstapel.

    Naar de soorten

  • Groeven en mijnen Groeven en mijnen J3 Duinger Berg bij Marienhagen, Nedersaksen, Duitsland 18 soorten

    Groeven en mijnen die in gebruik zijn of pas verlaten: steengroeven, zand- en grindafgravingen, dagbouwmijnen, stortbergen en het terrein daaromheen. Zodra een groeve dichtgroeit of volloopt, gaat hij op in het bijbehorende natuurlijke type; verlaten ondergrondse mijnen rekent EUNIS bij de grotten. Wat er ligt is kaal en steil: verse wanden van kalksteen, leem of zand, puinhellingen, plassen op de bodem en weinig begroeiing. Voor zoogdieren zit de waarde niet in de steilte maar in wat er ondergronds achterblijft: gangen en nissen die koel en vochtig zijn en het hele jaar door dezelfde temperatuur houden. De grote hoefijzerneus en de vale vleermuis hangen daar in de winter, en in het najaar verzamelen ze zich bij de ingangen van groeven en mijnen die nog in bedrijf zijn.

    Naar de soorten

  • Wegen, spoor en verhard terrein Wegen, spoor en verhard terrein J4 Autobahnkreuz Leverkusen-West, Duitsland 11 soorten

    Het harde oppervlak zelf: wegen, parkeerterreinen, spoorlijnen, verharde paden en de banen en platformen van vliegvelden, havens en recreatieterreinen. Bermen, spoortaluds en andere begroeide randen horen bij de graslanden of ruigten, niet hierbij; het gaat om asfalt, beton, klinkers en ballast. Zulke vlakken zijn warm, open en schaars begroeid, en lijken daarin op steppe of kiezelstrand. Voor zoogdieren is het vooral gevaarlijk terrein: het verkeer eist grote aantallen en brede banen snijden leefgebieden doormidden. Toch worden de kort gehouden, vastgereden stroken op vliegvelden en langs spoorbanen door grondeekhoorns bewoond: de siesel en de gevlekte soeslik graven er hun kolonies, en de veldmuis trekt langs de ballastbedding van de ene berm naar de andere.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Aangelegde wateren Aangelegde wateren J5 Embalse de Guadalcacín, Cádiz, Spanje 9 soorten

    Binnenwateren met een volledig aangelegde bodem of met zwaar vervuild water, plus de leidingen, bassins en tanks die erbij horen; zoutpannen aan de kust vallen er ook onder. Door mensen gemaakte wateren die zich half-natuurlijk gedragen — plassen, vijvers en kanalen met een bodem van zand of veen — blijven bij de stilstaande en stromende wateren van groep C. Het gaat dus om betonnen reservoirs, bezinkbassins, viskwekerijen en de vlakken van salinas. Voor zoogdieren telt vooral wat er in en langs zulke wateren te halen valt. De otter foerageert 's nachts in viskwekerijen en bezinkbassins en gebruikt de aanvoerkanalen om zich te verplaatsen, en de Europese bever vestigt zich in beschoeide kanalen en waterleidingen zodra er wilg of populier langs de kant staat.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

  • Vuilstort Vuilstort J6 Vuilstort bij Thessaloniki, Griekenland 2 soorten

    Het gestorte afval zelf: vuilstorten, belten, slibvelden en hopen restmateriaal uit huishoudens, industrie en landbouw. Niet het bedrijf dat het afval maakt telt mee, maar de plek waar het blijft liggen; groeit een oude stort dicht, dan gaat hij over in ruigte of struweel. In Europa loopt dat van afgedekte stortplaatsen met gasafvang in het noordwesten tot open belten bij steden in het zuiden en zuidoosten. Voor opportunisten is zo'n plek een vaste voedselbron die het hele jaar bereikbaar is. Onder de zoogdieren houdt vooral de huismuis er stand: het gestorte huisvuil levert graan, brood en zaden, en de losse pakking van afval en afdekgrond biedt gangen en nestruimte vlak bij dat voedsel.

    Naar de soorten · EUNIS-factsheet

Indeling: EUNIS Habitat Classification (Europees Milieuagentschap), de A–J-versie. De Engelse namen zijn die van EUNIS; de Nederlandse en Spaanse zijn voor deze gids vertaald. De beschrijvingen zijn voor deze gids geschreven op grond van de EUNIS-factsheets, waarnaar per leefgebied wordt verwezen.