Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Baardrob

Baardrob | Erignathus barbatus

Bearded seal | Foca barbuda

De baardrob is de grootste hondsrob van het Noordpoolgebied. In het voorjaar zijn onder het ijs de lange, dalende trillers van de mannetjes te horen, die onder water tot dertig kilometer ver reiken. Het belangrijkste veldkenmerk is een dichte bos roomwitte snorharen die bij opdrogen aan de punten omkrullen.

Baardrob (Erignathus barbatus)
Foto: Stefan Brending (2eight) — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons

Sporen

Op de zeebodem maakt de baardrob dezelfde soort sporen als de walrus, maar kleiner: ondiepe kuilen en woelplekken in zacht slib en zand, waar hij met de snorharen naar tweekleppigen, wormen, garnalen en krabben zoekt en het sediment met een waterstraal wegblaast. Anders dan de ringelrob houdt hij op het ijs geen ademgaten open; hij is afhankelijk van bestaande wakken en van de open randen van het drijfijs. Ligplaatsen liggen daardoor altijd binnen een lichaamslengte van open water, met een korte, brede sleepsleuf van de rand naar de ligplaats. Het meest bruikbare teken is geluid: de zang van het mannetje, een lange, dalende triller die eindigt in een diepe kreun, duurt tot drie minuten en is van april tot juni vrijwel voortdurend te horen met een hydrofoon, of bij windstil weer door de romp van een boot. Op Europese stranden worden van deze soort vrijwel geen sporen gevonden, afgezien van een enkele dode dwaalgast.

De kop van dichtbij

Baardrob, kop van dichtbij in liefdefjorden: de dichte roomwitte snorbos met opgekrulde punten, en de roestbruine verkleuring van het wroeten in bodemslib
Kop van dichtbij in Liefdefjorden: de dichte roomwitte snorbos met opgekrulde punten, en de roestbruine verkleuring van het wroeten in bodemslib · Foto: Stefan Brending (2eight) — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons

Herkenning

Zwaar gebouwd, met een kleine kop op een groot, tonvormig lichaam; deze verhouding is kenmerkend voor de soort. De vacht is effen grijsbruin tot zilvergrijs, zonder vlekken of ringen, vaak met een roestbruine verkleuring op kop, nek en voorvinnen door ijzer in het bodemslib waarin hij foerageert. De snorharen zijn lang, dicht, roomwit en glad, en krullen bij opdrogen aan de uiteinden om; ze bedekken het hele voorste deel van de kop. De voorvinnen zijn kort en recht afgesneden, met de middelste teen even lang als of korter dan de buitenste; bij alle andere Europese zeehonden loopt de voorvin spits toe. Vrouwtjes zijn even groot als of iets groter dan mannetjes. Op het ijs ligt hij met de kop vlak bij de rand van het wak, zodat hij direct het water in kan.

Gelijkende soorten

In het hoge noorden is de combinatie van formaat, kleine kop en witte snorharen kenmerkend. De ringelrob, die op dezelfde ijsvelden leeft, weegt een derde van de baardrob, heeft lichte ringen op een donkere rug en veel dunnere, golvende snorharen. De zadelrob is kleiner en slanker en scherp getekend, met een zwarte kop en een zwarte zadelband. De klapmuts is even zwaar maar gevlekt, en het mannetje heeft een neuszak. De walrus is veel groter, heeft slagtanden en een gerimpelde huid. Verder naar het zuiden, waar een enkele dwaalgast Schotland, de Shetlandeilanden, IJsland of Bretagne bereikt, kan de soort naast de grijze zeehond voorkomen; dan zijn de kleine kop, de recht afgesneden voorvin en de witte snorharen beslissend. De grijze zeehond heeft een grote, langgerekte kop.

Leefgebied

Drijfijs boven ondiepe zeeën: de soort is gebonden aan de rand van het pakijs boven het continentaal plat, waar vanaf het ijs op de bodem kan worden gefoerageerd, en mijdt zowel gesloten, dik ijs als de diepe oceaan. In de zomer ook open water en kustwateren met ijsschotsen; waar het ijs volledig verdwijnt, komt hij op kiezelstranden en rotskusten aan land. Hij foerageert vrijwel uitsluitend op de bodem, tot ongeveer honderd meter diep, op tweekleppigen, wormen, garnalen, krabben en bodemvis, die hij door zuigen uit het sediment haalt.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Circumpolair in de hele Noordelijke IJszee, van Spitsbergen en de Barentszzee tot Groenland, Canada en de Beringzee. Het zwaartepunt van het Europese areaal ligt ten noorden van 71° noorderbreedte, in de fjorden en voor de gletsjerfronten van Spitsbergen, bij Bereneiland en langs de Russische ijsrand. Verder zuidelijk komt de soort voor langs de Noord-Noorse kust en bij IJsland, met verspreide dwaalgasten langs de Britse en Franse kusten; de meeste zuidelijke waarnemingen komen van de Shetlandeilanden en Schotland, meestal van jonge dieren die maandenlang in een haven verblijven. In Iberische wateren komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Spitsbergen en Bereneiland (Bjørnøya) liggen op 74 tot 81°N en dus boven de bovenrand van het kaartvenster: op de hoofdkaart vallen ze buiten beeld. Voor de dieren van het pakijs is dat juist het gebied waar ze thuishoren, en daarom staan ze als kadertjes in de hoek van de kaart, in dezelfde kleuren als de hoofdkaart. Elk kadertje heeft zijn eigen schaal; ze staan niet op de schaal van de hoofdkaart. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Solitair en verspreid levend; baardrobben liggen niet in dichte groepen zoals walrussen. De duiken zijn overwegend ondiep en langdurig, en het voedsel wordt op de bodem gezocht. De zang van het mannetje is een baltsgedrag: het mannetje duikt spiralend omlaag en laat daarbij de triller horen, waarmee het een watergebied en de vrouwtjes daarin claimt. Het jong wordt in april of mei op een ijsschots geboren, één per worp, weegt bij de geboorte ruim dertig kilo en zwemt en duikt binnen enkele uren, een aanpassing aan drijfijs dat op elk moment kan breken. Het wordt achttien tot vierentwintig dagen gezoogd, verdubbelt in die tijd zijn gewicht en wordt daarna verlaten. Kort daarna paart het vrouwtje in het water. De levensduur is vijfentwintig tot dertig jaar. De baardrob is een belangrijke prooi van de ijsbeer; één volwassen dier levert een beer voedsel voor enkele weken.

Waar en wanneer kijken

De beste kans biedt een expeditiereis op Spitsbergen tussen juni en augustus, langs de ijsrand in Hinlopenstretet, bij de Sjuøyane of in Raudfjorden: baardrobben liggen dan alleen op kleine schotsen en laten een schip vaak dicht naderen. Let op het silhouet, een groot, rond lichaam met een zeer kleine kop, en op de witte snorharen, die op afstand zichtbaar zijn. Onder water is de soort het best vast te stellen: zet op een windstille dag de motor uit en luister met een hydrofoon, of met het oor tegen de romp van een rubberboot. In West-Europa zijn waarnemingen zeldzaam en onvoorspelbaar; controleer bij een grote zeehond in een Schotse haven altijd de voorvin en de snorharen.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2025). De wereldpopulatie telt honderdduizenden dieren en wordt niet zwaar bejaagd, maar de IUCN plaatste de soort in 2025 in de categorie Gevoelig omdat zij afhankelijk is van drijfijs boven ondiepe zee. Trekt de ijsrand zich terug tot boven de diepe Noordelijke IJszee, dan verdwijnt de combinatie van ijs om op te liggen en een bereikbare bodem, en moeten de dieren aan land werpen, waar zij blootstaan aan ijsberen en verstoring. In Europa spelen daarnaast de toegenomen scheepvaart in de fjorden van Spitsbergen en de olie- en gaswinning in de Barentszzee een rol. De inheemse jacht in Groenland en Rusland is beperkt en niet de bepalende factor.

Wetenschappelijke naam

Erignathus barbatus | (Erxleben, 1777)

Erxleben beschreef de soort in 1777 als Phoca barbata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Erignathus is Grieks, van het versterkende eri- 'zeer, sterk' en gnathos 'kaak', naar de zware kop. barbatus is Latijn voor 'gebaard', bij barba 'baard', naar de dichte bos lange lichte snorharen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Atlantische Oceaan, Zuid-Groenland.