Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Bergspitsmuis
Bergspitsmuis | Sorex alpinus
Alpine shrew | Musaraña Alpina
De bergspitsmuis is een spitsmuis van vochtige, stenige plekken in de middelgebergten en hooggebergten van Midden- en Zuidoost-Europa. Hij is te herkennen aan een gelijkmatig donkergrijze vacht en een staart die even lang is als kop en romp samen, langer dan bij enige andere Europese Sorex. Genetisch staat hij geïsoleerd: hij heeft onder de levende spitsmuizen geen naaste verwanten en wordt beschouwd als een oude relictsoort, die in een eigen ondergeslacht, Homalurus, wordt geplaatst. Het areaal bestaat uit losse bergeilanden, en aan de randen daarvan zijn bevolkingen verdwenen.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn geen sporen bekend die specifiek voor de bergspitsmuis zijn. Keutels, gangetjes in het mos en prenten verschillen niet merkbaar van die van andere Sorex-soorten. De soort wordt vastgesteld door vangst met levende vallen of via braakballen van uilen uit bergbossen. In braakballen zijn onderkaken en schedels van Sorex herkenbaar aan de roodbruine tandpunten; voor de determinatie tot deze soort zijn maten en vorm van schedel en kaak nodig, en een gespecialiseerde determinatiesleutel.
Herkenning
Een middelgrote Sorex met een eentonig donkergrijze tot asgrauw-zwarte vacht, soms met een zwakke bruine zweem; rug, flanken en buik hebben vrijwel dezelfde kleur, zodat de driekleurige tekening van de gewone bosspitsmuis ontbreekt. Het beslissende kenmerk is de staart, die ongeveer even lang is als kop en romp: scherp tweekleurig, van boven donker en van onderen bijna wit, bekleed met korte stijve haren die aan het eind geen pluim vormen. Bij volwassen dieren slijt de staartbeharing tot hij vrijwel kaal is. Ook de lichte bovenzijde van voor- en achtervoeten steekt scherp af tegen het donkere lijf. De tandpunten zijn roodbruin, zoals bij alle Sorex. Het karyotype telt meestal 2n = 56 (soms 54 of 58). Kop-romplengte 6,2 tot 7,7 cm, staart 6,0 tot 7,5 cm, achtervoet 12 tot 17 mm, gewicht 5,5 tot 11,5 gram.
Gelijkende soorten
In de hand is de bergspitsmuis goed te benoemen, omdat de verhouding tussen staart en lichaam beslist: bij de bergspitsmuis is de staart ongeveer even lang als kop en romp, bij de andere Sorex-soorten van zijn leefgebied duidelijk korter. De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) en Sorex antinorii in de Alpen hebben een staart van ongeveer de helft tot twee derde van de kop-romplengte en een driekleurige vacht. De dwergspitsmuis (Sorex minutus) is veel kleiner, bruiner en heeft een dikke, behaarde staart. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) en de Millers waterspitsmuis (Neomys milleri) leven vaak langs dezelfde bergbeken; ze zijn eveneens donker, maar hebben een lichte, scherp afgegrensde buik, zwemharen langs de voeten en meestal een kiel onder de staart. Witgetande spitsmuizen (Crocidura) hebben witte tanden, uitstekende oren en losse lange haren op de staart. Een dier dat alleen vluchtig tussen de stenen wordt gezien, is niet op soort te brengen; de staartlengte moet in de hand of op een scherpe foto worden beoordeeld.
Leefgebied
Vochtige, koele plekken met veel stenen of dood hout in bergbossen en daarboven: stenige bosbeken, puinhellingen, rotsblokken met mos, oevers van bergstroompjes en ijle, bebost of struikrijke hellingen tot boven de boomgrens. In dichtere bossen gebruikt hij omgevallen stammen en ander dood hout als schuilplaats; soms leeft hij in droge stapelmuren tussen weiden. De soort komt alleen voor bij hoge of matige luchtvochtigheid en mijdt droge terreinen, ook als daar stenen genoeg liggen. De hoogte loopt van ongeveer 200 tot 2500 meter, met het zwaartepunt in de bergbosgordel.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een Europese endemische soort met een versnipperd areaal in de gebergten: de Alpen van Zuidoost-Frankrijk en Zwitserland tot Oostenrijk, Noord-Italië en Slovenië, de middelgebergten van Midden- en Zuid-Duitsland en het zuidwesten van Tsjechië, de Dinarische gebergten tot Noord-Albanië en Servië, en de Karpaten van Tsjechië, Slowakije en Zuid-Polen tot West-Oekraïne en Roemenië. Drie ondersoorten worden erkend: S. a. alpinus in de Alpen en de Dinarische gebergten, S. a. tatricus in de Karpaten en S. a. hercynicus in de Harz, waar de soort vermoedelijk is uitgestorven. Ook de geïsoleerde bevolking in de Pyreneeën geldt als verdwenen; de laatste vondsten daar dateren van het begin van de twintigste eeuw, die in de Harz van de tweede helft ervan.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Over de dagindeling is weinig vastgelegd; zoals bij andere Sorex-soorten wisselen korte slaapperioden en actieve perioden elkaar het hele etmaal af, met de langste activiteit 's nachts. Hij leeft op de grond, tussen en onder stenen, en klimt goed: in gevangenschap is gezien dat hij de lange staart als steun gebruikt en daarmee hoger klimt dan andere spitsmuizen. Het voedsel bestaat uit relatief grote ongewervelden: regenwormen, slakken en duizendpoten vaker dan insecten, aangevuld met loopkevers, oorwormen en muggenlarven. Een winterslaap is er niet; zonder voedsel overleeft een dier maar enkele uren. De voortplanting loopt van mei tot oktober, met meestal vier tot zeven jongen per worp na een draagtijd van ongeveer drie weken. Overwinterde dieren planten zich voort en sterven daarna; een tweede winter halen ze niet. Vrouwtjes die in het jaar zelf geboren zijn, werpen soms ook al. Indirecte aanwijzingen wijzen op een solitair en territoriaal leven.
Waar en wanneer kijken
De bergspitsmuis is zelden in het vrije veld te zien. De kans is het grootst langs een bemoste bosbeek met veel stenen in een bergbos, of aan de voet van een vochtige puinhelling, in de schemering en 's nachts. Een spitsmuis die tussen de stenen verschijnt en duidelijk donkergrijs is met een staart die even lang oogt als het lijf, is bijna zeker deze soort; probeer bij zo'n waarneming een foto te maken waarop de staart volledig te zien is. Bij het uitpluizen van braakballen uit bergbossen is een schedel van deze soort een waardevolle vondst, omdat de verspreidingskaart op veel plaatsen op oude gegevens rust. Levend vangen van spitsmuizen is in de meeste landen alleen met een vergunning toegestaan.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT, 2023) op de Rode Lijst van de IUCN. De reden ligt in de bouw van het areaal: de soort is aan vochtige, stenige plekken gebonden, en die sterke voorkeur maakt de verspreiding versnipperd, met bevolkingen die van elkaar gescheiden zijn, zoals de Dinarische van de Karpatische. Geïsoleerde randbevolkingen zijn het kwetsbaarst; die van de Pyreneeën en de Harz zijn vermoedelijk al verdwenen. Omdat de soort koel en vochtig terrein nodig heeft, zijn ingrepen die bergbeken en bosbodems uitdrogen of van stenen en dood hout ontdoen voor deze soort nadelig. Hij staat op bijlage III van de Conventie van Bern.
Wetenschappelijke naam
Sorex alpinus | H. R. Schinz, 1834
H. R. Schinz beschreef de soort in 1834 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. alpinus is Latijn voor 'van de Alpen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland, Uri.





