Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Bobakmarmot
Bobakmarmot | Marmota bobak
Bobak Marmot | Marmota bobak
De bobakmarmot is een marmot van de steppe en bossteppe van Oost-Europa en Noord-Kazachstan. Hij leeft in kolonies in open grasland, graaft holen met grote aardheuvels die door opeenvolgende generaties in gebruik blijven, en houdt een winterslaap van ongeveer een half jaar. De alarmroep is een hoge fluittoon. De aardheuvels bij de holen blijven lang in het landschap zichtbaar.
Sporen
Het meest opvallende spoor is de butan, de heuvel van uitgegraven aarde rond de holingang. Een bewoond hol is een schuine gang van 20 tot 25 cm doorsnede; de aarde die er in de loop van generaties uit is gehaald, vormt een ronde heuvel van een halve tot een hele meter hoog en vijf tot twintig meter breed. Op zo'n heuvel groeit een andere vegetatie dan op de omringende steppe, vaak alsem, bilzekruid of andere stikstofminnende planten, soms geen vegetatie. De heuvel vormt daardoor een lichte vlek in het gras of het gewas, herkenbaar op honderden meters afstand en op luchtfoto's op kilometers afstand. Butanen blijven bestaan nadat een kolonie is verdwenen: op omgeploegde akkers in Oekraïne en Zuid-Rusland zijn ze soms nog zichtbaar als flauwe verhogingen in velden waar al een eeuw geen marmotten meer leven. Rond een bewoond hol is het gras kort en anders van kleur door dagelijkse begrazing, en tussen de holen liggen uitgesleten paadjes. Er is een aparte latrinegang, en op vaste plekken bij de ingangen liggen worstvormige, donkere, sterk vezelige keutels van twee tot vier centimeter. Op de heuvel vormen de graafsporen van de voorklauwen parallelle groeven in de losse aarde, en op plekken waar wachtposten jarenlang zitten is de aarde platgetreden en hard. In september wordt gedroogd gras naar de winterkamer gesleept; langs de paadjes liggen dan plukjes hooi. De alarmroep is een scherpe, hoge fluittoon, één langgerekte toon die door de hele kolonie wordt overgenomen; daarna zijn de dieren binnen twee seconden onder de grond.


In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een zware, gedrongen grondbewoner: kop-romplengte 49 tot 57,5 cm, staart 10,5 tot 13 cm, en een gewicht van rond vier kilo in het voorjaar dat in september oploopt tot zeven kilo of meer. De vacht is zandgeel tot okerkleurig, op de rug met zwart gepunte dekharen die een fijn gespikkelde tekening geven; de buik is roestgeel. De kop heeft een donkerbruine tot zwarte kruin die scherp afsteekt tegen de bleke wangen; dit is het beste kenmerk op afstand. De staart is kort, van dezelfde kleur als de rug, en eindigt in een donkerbruine punt. De oren zijn klein en rond, de ogen staan hoog in de kop, de poten zijn kort en de voorklauwen zwaar en gebogen. In de wachthouding staat het dier rechtop op de achterpoten met de voorpoten tegen de borst; de bleke, effen borst is dan op afstand zichtbaar.
Gelijkende soorten
Binnen het areaal leeft geen ander dier van dit formaat overdag in kolonies op de steppe; verwarring is zeldzaam. De alpenmarmot is grijsbruiner, heeft een langere staart (13 tot 16 cm, tegenover hooguit 13 cm bij de bobak) en leeft boven de boomgrens tussen puin en rotsblokken. De arealen van beide soorten overlappen niet: de bobak leeft in vlak grasland, de alpenmarmot in het hooggebergte. Ten oosten van de Wolga en in de Kazachse bergen komt ook de grijze of Altaimarmot voor, die grijzer is en hoger in de bergen leeft. Vaker is er verwarring met de kleinere grondeekhoorns: siesel, gevlekte soeslik en dwerggrondeekhoorn leven in hetzelfde grasland, maar zijn veel kleiner (een siesel weegt ongeveer 300 g, een bobak ongeveer twintig keer zoveel) en hebben een slanker lijf, een langere hals en een dunne staart. Op grote afstand kan een rechtopstaande bobak voor een haas worden aangezien; een haas is hoger op de poten, heeft lange oren en maakt geen aardheuvels.
Leefgebied
Steppe en bossteppe: vedergrassteppe, kruidenrijk droog grasland, alsemsteppe en struiksteppe, van de laaglandsteppe tot in de droge gebieden van Kazachstan. De soort heeft een diepe, goed doorlatende bodem nodig waarin de holgang tot ver onder de vorstgrens kan reiken, en open terrein met vrij zicht voor de wachtposten; bij hoog gras en struikopslag verdwijnt de soort. In het cultuurlandschap komt hij voor op onbewerkte hellingen, langs balka's en ravijnranden, op braakland, langs spoordijken en op akkerranden; in Oekraïne liggen holen ook midden in soja- en zonnebloemvelden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De steppe van Oost-Europa en Noord-Kazachstan: Midden- en Oost-Oekraïne, Zuidwest-Rusland tot voorbij de Wolga, en het noorden en midden van Kazachstan. In Europa ligt het verspreidingsgebied vooral in Oekraïne (de bossteppe van Poltava, Soemy, Charkov en de regio Loehansk) en in de aangrenzende Russische zwarte-aardegordel. Het areaal was vroeger aaneengesloten en is nu versnipperd: de soort is verdwenen uit Zuidoost-Wit-Rusland, en van de oostrand van de Hongaarse Laagvlakte is één vondst uit het Neolithicum bekend; op verschillende plaatsen zijn herintroducties uitgevoerd. Er worden drie ondersoorten onderscheiden; de nominaatvorm leeft van Oost-Oekraïne tot de Wolga, en de Kazachse vorm is in de Kaukasus uitgezet.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dagactief, met een piek in de ochtend en opnieuw in de late namiddag en een rustperiode tijdens de middaghitte. De soort leeft in kolonies die uit meerdere families bestaan; een familie bestaat uit een dominant mannetje met een volwassen wijfje, hun twee- en eenjarige nakomelingen en de jongen van dat jaar, dus tot drie jaargangen. Jonge mannetjes vertrekken na hun tweede winter. Ongeveer zestig procent van de volwassen wijfjes werpt jaarlijks, met gemiddeld vijf jongen, en de dieren worden pas op driejarige leeftijd geslachtsrijp, wat voor een knaagdier een lage voortplantingssnelheid betekent. Het voedsel is uitsluitend plantaardig: grassen, kruiden, bloemen en jonge scheuten; de soort drinkt vrijwel niet. De winterslaap duurt van september of oktober tot maart of april, dus zes tot zeven maanden. De hele familie ligt dan samen in één winterkamer diep onder de grond, met de gangen van binnenuit afgesloten met aarde en mest. De lichaamstemperatuur daalt tot enkele graden boven nul en een dier verliest tot een derde van zijn gewicht. Doordat de dieren dicht tegen elkaar liggen, verliezen ze minder warmte; jonge dieren overleven hun eerste winter alleen in groepsverband.
Waar en wanneer kijken
Kolonies zijn het eenvoudigst te vinden via de aardheuvels. Zoek in mei of juni in de Oekraïense bossteppe of op de Russische zwarte aarde naar lichte heuvels in het gras of het gewas; waar die liggen, is meestal een kolonie aanwezig. Blijf op ongeveer tweehonderd meter afstand stil zitten: binnen een kwartier komen de wachtposten weer boven. De beste periode is eind april en mei, kort na het einde van de winterslaap, wanneer de dieren de hele dag boven de grond zijn en de jongen van het vorige jaar nog bij de familie horen; eind mei en begin juni komen de jongen van dat jaar voor het eerst naar buiten. Vermijd de middaghitte en de maanden juli en augustus, wanneer de kolonie het minst actief is. De alarmroep kan een kolonie verraden die nog niet in zicht is, en geeft ook aan dat je te dichtbij bent gekomen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017), met een grote populatie (alleen al in de Kazachse steppen geschat op miljoenen dieren) en een areaal dat na de sterke afname in de twintigste eeuw op veel plaatsen weer groeit. De bobak is eeuwenlang bejaagd om zijn vet en zijn pels, die in de negentiende en twintigste eeuw op grote schaal tot mutsen en jassen werd verwerkt; daarnaast is door de omzetting van steppe in akkerland het grootste deel van het leefgebied verdwenen. Rond het midden van de twintigste eeuw waren de meeste West-Oekraïense en Wit-Russische kolonies verdwenen. Sindsdien hebben jachtbeperkingen, reservaten en herintroducties tot herstel geleid. De belangrijkste factor is nu de kwaliteit van het resterende grasland: waar steppe wordt geploegd, of waar begrazing wegvalt en het gras te hoog wordt, verdwijnt de soort. Plaatselijk wordt hij op akkers bestreden. De soort is een gastheer van de pest; in de negentiende eeuw heeft dat in Rusland tot uitbraken geleid.
Wetenschappelijke naam
Marmota bobak | (P. L. S. Müller, 1776)
P. L. S. Müller beschreef de soort in 1776 als Mus Bobak; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Marmota gaat terug op het woord marmot, waarvan de herkomst onzeker is: gedacht wordt aan een Gallo-Romaanse stam marm- 'mompelen' of aan het laatlatijnse mus montanus 'bergmuis'. bobak is de Russische en Oekraïense naam van het dier, die Müller onverbogen als soortnaam overnam; het woord is vermoedelijk aan een Turkse taal ontleend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oekraïne.



