Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Bosmuis

Bosmuis | Apodemus sylvaticus

Wood mouse | Ratón De Campo

De bosmuis is een van de talrijkste zoogdieren van West- en Zuid-Europa, maar wordt weinig gezien. Hij is nachtactief, beweegt zich springend voort en komt voor in vrijwel alle bossen, houtwallen, tuinen en schuren. Van de verwante grote bosmuis is hij in het veld niet altijd met zekerheid te onderscheiden.

Bosmuis (Apodemus sylvaticus)
Foto: Hans Hillewaert — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De eetsporen zijn met een loep goed te determineren. Het bekendste is de aangevreten hazelnoot: de bosmuis knaagt van buitenaf een rond gat van vijf tot acht millimeter in de schaal, laat op de binnenrand van het gat evenwijdige tandgroeven achter en maakt daarnaast ruwe tandkrassen op het schaaloppervlak rond het gat. Dit kenmerk onderscheidt hem van drie andere soorten: de rosse woelmuis laat nette, evenwijdige groeven op de binnenrand maar geen krassen op het oppervlak buiten het gat, de eekhoorn splijt de noot in twee helften of maakt er een groot, rafelig gat in, en de specht hakt een onregelmatige opening terwijl de noot in een spleet geklemd zit. Nootschalen die onder een hazelaar in een houtwal worden verzameld, geven een beeld van de knaagdiersoorten in dat gebied. Verder opent de bosmuis kersen- en sleedoornpitten met eenzelfde rond gat, eet hij rozenbottels van binnenuit leeg en laat hij van dennenkegels een gladde, dunne spil over, zonder de stoppels en zonder het plukje schubben aan de top dat de eekhoorn laat zitten. Voorraden worden op uiteenlopende plekken gevonden: in oude nestkasten, in een verlaten hommelnest, onder een omgevallen stam, in een molshoop en geregeld in de zak van een jas in een schuur. De keutels zijn donkere, spoelvormige korreltjes van drie tot vijf millimeter, glanzend als ze vers zijn, en liggen verspreid, niet op hoopjes. In sneeuw of fijn stof is het sprongspoor te zien: vier prenten in een groepje met de vijftenige achtervoeten vóór de viertenige voorvoeten, sprongen van twintig tot vijftig centimeter, en tussen de groepjes de dunne sleepstreep van de staart. De gangen lopen onder de strooisellaag en tussen boomwortels en zijn zelden als tunnel zichtbaar; wel zijn er holingangen van ongeveer twee tot drie centimeter doorsnede te vinden, rond, kaal en zonder aardhoopje ervoor.

Bosmuis, voorraad kersenpitten, elk met een rond gat opengeknaagd, bijeengebracht onder een boom in barrmil park, schotland
Voorraad kersenpitten, elk met een rond gat opengeknaagd, bijeengebracht onder een boom in Barrmil Park, Schotland · Foto: Rosser1954 Roger Griffith — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Bosmuis, twee hazelnoten, opengeknaagd door dieren waarvan bekend was welke soort het was: links de bosmuis, met knaagsporen dwars op de rand van het gat; rechts de rosse woelmuis, met een gladde rand
Twee hazelnoten, opengeknaagd door dieren waarvan bekend was welke soort het was: links de bosmuis, met knaagsporen dwars op de rand van het gat; rechts de rosse woelmuis, met een gladde rand · Foto: Duncan Brown — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Bosmuis, bosmuis in laag gras bij baltasound op unst, shetland — een boomloos eiland waar dit de enige apodemus is
Bosmuis in laag gras bij Baltasound op Unst, Shetland — een boomloos eiland waar dit de enige Apodemus is · Foto: Mike Pennington — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Bosmuis, kop van dichtbij in een braamstruweel: de grote dunne oren, het uitpuilende zwarte oog en de lange snorharen, hauts-de-seine
Kop van dichtbij in een braamstruweel: de grote dunne oren, het uitpuilende zwarte oog en de lange snorharen, Hauts-de-Seine · Foto: Alexis Lours — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een slanke, langgestaarte muis met kop-romp 8 tot 11 cm, een staart van 7 tot 11 cm, ongeveer even lang als kop en romp, en een gewicht van ongeveer 23 tot 25 gram. De bovenzijde is warm geelbruin tot roodbruin, de flanken zijn okerkleurig en de buik is scherp begrensd zuiver wit tot grijswit; op de borst zit vaak een kleine gele vlek of een kort geel streepje. De ogen zijn groot, bol en zwart en de oren zijn groot en dun, lang genoeg om naar voren over het oog te vouwen; grote ogen en oren zijn samen het snelste herkenningskenmerk. De achterpoten zijn lang; de soort beweegt zich vooral springend voort, met sprongen tot een halve meter. De staart is dun, geschubd en spaarzaam behaard, donker van boven en licht van onder; de punt breekt af als de staart wordt vastgepakt en groeit niet terug.

Gelijkende soorten

De grote bosmuis is in het veld vaak niet met zekerheid van de bosmuis te onderscheiden. De grote bosmuis is gemiddeld groter en roder en heeft een doorlopende gele band dwars over de borst, waar de bosmuis hooguit een vlek of een kort streepje heeft dat de zijkanten niet bereikt. Jonge grote bosmuizen hebben echter soms een onvolledige band en oude bosmuizen een opvallend grote vlek, en de maten overlappen sterk. In de hand geven achtervoetlengte en borsttekening samen meestal uitsluitsel; op een foto of in een lichtbundel vaak niet, en dan is determinatie tot het geslacht Apodemus de juiste keuze. Op het Iberisch Schiereiland speelt dit probleem alleen in de noordelijke helft, omdat de grote bosmuis daar een soort van gebergte en vochtig bos is. De huismuis is in het veld wel te onderscheiden: grijzer en doffer, met kleinere ogen en oren, zonder scherpe grens tussen rug en buik, met een rondom even donkere staart en een sterke muizengeur. De dwergmuis is half zo groot, oranjebruin en heeft een grijpstaart. De woelmuizen, zoals rosse woelmuis en veldmuis, hebben een stompe snuit, kleine ogen, oren die in de vacht verdwijnen en een staart die veel korter is dan het lichaam.

Leefgebied

Vrijwel alle leefgebieden met dekking: loofbos, gemengd bos en naaldbos, houtwallen, heggen, bosranden en ruigten, jonge aanplant, duinstruweel, akkerranden en stoppelvelden, tuinen, volkstuinen, begraafplaatsen, schuren en zolders, en in Zuid-Europa maquis, garrigue, olijfgaarden en wijngaarden. De soort komt zowel in oud beukenbos als in de winter op kaal geploegde akkers voor, en is na verstoring op de meeste plekken de eerste soort die terugkeert. Open, permanent nat grasland en hoogveen worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Ierland en het Iberisch Schiereiland tot Oekraïne en van Noord-Scandinavië tot Noord-Afrika, en op vrijwel alle eilanden in de Middellandse Zee. De soort komt voor in heel Groot-Brittannië en Ierland, inclusief de meeste kleinere eilanden van de Hebriden en Orkney tot de Scilly-eilanden, in heel Nederland en België, inclusief de Waddeneilanden, en op het hele Iberisch Schiereiland van zeeniveau tot hoog in de bergen, en op de Balearen. Op het Iberisch Schiereiland en de Balearen worden vier ondersoorten onderscheiden: een in de noordelijke helft van het schiereiland, een in de zuidelijke helft en op Mallorca en Menorca, en eigen vormen op Ibiza en Formentera. In deze gebieden geldt de bosmuis als het talrijkste kleine zoogdier; de Britse populatie wordt geschat op tientallen miljoenen dieren, en in een gemiddeld bos leven meer bosmuizen dan alle andere zoogdiersoorten samen. De aantallen schommelen sterk van jaar tot jaar en hangen samen met de zaadval van beuk en eik: na een mastjaar volgt een winter waarin de bosmuizen doorgaan met voortplanten en in het voorjaar daarna een piek. De soort wordt veel teruggevonden in braakballen van kerkuil, bosuil en ransuil, en is daardoor beter onderzocht dan de meeste andere kleine zoogdieren.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Strikt nachtactief, met de meeste activiteit in de eerste uren na zonsondergang en opnieuw voor zonsopkomst; overdag wordt hij alleen bij toeval gezien, bijvoorbeeld als hij uit een houtstapel vlucht. Hij is in de winter actief en houdt geen winterslaap: hij neemt in gewicht af, bij vorst liggen meerdere dieren samen in één nest, en hij leeft van de voorraad die in het najaar is aangelegd. Het voedsel bestaat uit zaden, noten, eikels, beukennootjes, knoppen, kiemplanten, bessen, schimmels en een aanzienlijk aandeel insecten, slakken en wormen. Voorraden worden in holtes aangelegd en, zoals bij de eekhoorn, verspreid in de bodem. Het nest ligt onder de grond, tussen wortels, onder een stronk of in een boomholte, en bestaat uit fijngeknaagd blad en gras. Van maart tot oktober, en in mastjaren ook de hele winter, worden vier tot zeven jongen geboren na een draagtijd van 21 tot 26 dagen, met tot vier of vijf worpen per jaar. De jongen zijn na minder dan drie maanden geslachtsrijp, zodat een voorjaarsworp in hetzelfde jaar zelf jongen kan krijgen. Vrijwel geen bosmuis leeft langer dan tot een tweede zomer: de gemiddelde levensduur in het wild is ongeveer een jaar. De bosmuis is een hoofdprooi van bosuil, ransuil, kerkuil, wezel, hermelijn, vos en boommarter; de aantallen van deze predatoren hangen daardoor mede af van de zaadval van het voorgaande jaar.

Waar en wanneer kijken

De eenvoudigste methode is wachten: ga op een windstille avond met een rode zaklamp bij een houtstapel, een composthoop of een voederplek in een tuin zitten; vaak verschijnt er binnen een halfuur een bosmuis. Overdag kun je onder een hazelaar in een houtwal aangevreten nootschalen verzamelen; met een loep is aan de rand van het gat te bepalen welke soort de noot heeft geopend. In verse sneeuw loopt het sprongspoor met de staartstreep van gat naar gat, zodat in korte tijd het gangenstelsel van een perceel in kaart te brengen is. Een derde methode is het uitpluizen van braakballen van uilen, waarin de soort veel voorkomt. Vang geen dieren zonder vergunning; levendvangst van kleine zoogdieren is aan regels gebonden, en bosmuizen sterven snel in een slecht geplaatste val.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021). De bosmuis profiteert van bosuitbreiding, struweel, rommelige tuinen en menselijke voedselvoorraden, en de populaties zijn zo groot dat lokale afnames door een strenge winter, een mislukt mastjaar of intensieve bestrijding binnen één seizoen worden hersteld. Op enkele eilanden in de Middellandse Zee is de soort ingevoerd en heeft ze daar invloed op de inheemse plantengroei en op grondbroedende vogels; op het Europese vasteland is ze inheems. De bosmuis is een belangrijke prooisoort voor uilen, marterachtigen en de vos; hoe het met die soorten in een bepaald jaar gaat, hangt sterk af van het aantal bosmuizen, en dat hangt weer af van de hoeveelheid eikels en beukennootjes die het jaar ervoor is gevallen.

Wetenschappelijke naam

Apodemus sylvaticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mus sylvaticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. sylvaticus is Latijn voor 'van het bos', bij silva 'bos'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Uppsala.