Alle soorten › Evenhoevigen › Holhoornigen › Duingazelle
Duingazelle | Gazella leptoceros
Slender-horned gazelle | Gacela de Astas Delgadas
De duingazelle (Gazella leptoceros) is de lichtst gekleurde gazelle en leeft in de zandzeeën van de centrale en noordelijke Sahara. De soort is bevestigd in Algerije, Tunesië, Libië en Egypte, dus binnen het gidsgebied, maar leeft daar in verspreide, moeilijk bereikbare gebieden. De IUCN schat het aantal volwassen dieren op 300 tot 600.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Het slot is breder dan dat van de dorcasgazelle door de verbrede hoeven, en in zand goed te herkennen. In de ochtend zijn in de duinen de sporen van de nacht te zien, omdat de dieren vooral 's nachts en in de schemering lopen. Bokken houden losse territoria, die ze fel verdedigen.
Herkenning
Een middelgrote gazelle van 100 tot 110 cm kop-romplengte, 65 tot 72 cm schouderhoogte en 20 tot 30 kg, met een staart van 15 tot 20 cm. De vacht is crème tot geelwit, de onderzijde zuiver wit, met een vage streep op de flank. Het gezicht draagt een roodachtige streep over de neus en strepen van de ogen naar de neus. De oren zijn smal. De hoeven zijn verbreed, wat het lopen op zand vergemakkelijkt. De bok draagt lange, dunne, licht S-vormige hoorns van 30 tot 41 cm; die van de geit zijn dunner en rechter, 20 tot 38 cm.
Gelijkende soorten
De dorcasgazelle is zandkleurig tot roodachtig beige met een duidelijke roodbruine flankstreep, heeft grotere oren en kortere, liervormige hoorns die aan de punt omhoog krullen, en leeft vooral op grind- en rotsvlakten en in wadi's in plaats van in duingebieden. De edmigazelle is veel donkerder en leeft in het gebergte. In het veld zijn de zeer lichte kleur, de lange rechte hoorns en het leefgebied in de duinen de kenmerken.
Leefgebied
Zandduinen en de laagten daartussen in de grote ergs, zoals de Grand Erg Oriental en de Grand Erg Occidental, en andere zandige gebieden, soms ook rotsige terreinen. De dieren zijn nomadisch en volgen geen vaste trekroutes.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Verspreide gebieden in de centrale en noordelijke Sahara. Bevestigd in Algerije, Tunesië, Libië en Egypte; waarnemingen uit Tsjaad, Mali, Niger en Soedan zijn onzeker. De meeste recente waarnemingen in het gidsgebied komen uit Algerije.
Levenswijze
De duingazelle is vooral 's nachts en in de schemering actief; door de hitte foerageert ze alleen in de vroege ochtend en de avond. Ze haalt water uit dauw en plantensap en drinkt nauwelijks. De reflecterende witte vacht, bloedkoeling in de neusholte en een lichaamstemperatuur die met de seizoenen kan wisselen, helpen haar de hitte te verdragen. Groepen tellen 2 tot 20 dieren; het voedsel bestaat uit grassen en bladeren. Na een dracht van 156 tot 169 dagen wordt één jong geboren, dat na ongeveer drie maanden gespeend is. Geiten zijn met 6 tot 9 maanden geslachtsrijp, bokken met 18 maanden.
Waar en wanneer kijken
De duingazelle is in het wild zelden te zien. Bezoek aan de ergs van Algerije en Tunesië vergt een georganiseerde tocht met gids en terreinwagen. Zoek bij zonsopgang naar verse sporen in de duinen en naar dieren in de laagten tussen de duinen. De soort is streng beschermd; benaderen met voertuigen verstoort de dieren.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2016), met 300 tot 600 volwassen dieren in het wild. De duingazelle werd bejaagd voor de sport, voor vlees en voor de hoorns; huidige bedreigingen zijn stroperij, verstoring en verlies van leefgebied.
Wetenschappelijke naam
Gazella leptoceros | (F. Cuvier in É. Geoffroy Saint-Hilaire & F. Cuvier, 1842)
F. Cuvier in É. Geoffroy Saint-Hilaire & F. Cuvier beschreef de soort in 1842 als Antilope leptoceros; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gazella gaat via het Frans en het Spaans terug op het Arabische ghazāl 'gazelle'. leptoceros is Grieks voor 'dunhoornig', van leptos 'dun, slank' en keras 'hoorn', naar de lange, bijna rechte en opvallend smalle horens. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Soedan, Sennar.
