Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Gevlekte bunzing
Gevlekte bunzing | Vormela peregusna
Marbled Polecat | Turón Búlgaro
De gevlekte bunzing is een kleine marterachtige van steppe en halfwoestijn, van Zuidoost-Europa door het Midden-Oosten en Centraal-Azië tot Mongolië en Noord-China. In het gidsgebied leeft hij in twee gescheiden bevolkingen: op de Balkan en ten noorden van de Zwarte Zee.
Sporen
De gevlekte bunzing graaft zelf holen of gebruikt de holen van andere knaagdieren. De slaapkamer ligt 60 tot 100 cm van de ingang en wordt in de winter met gras bekleed. 's Nachts legt hij tot 1 km af. Gedetailleerde beschrijvingen van prent en keutel zijn in de bronnen van deze gids niet gevonden.
Herkenning
Een langgerekte, kortpotige marterachtige met een gele vacht die met roodbruine of bruine vlekken gemarmerd is. De kop is zwart met een witte band dwars over het voorhoofd boven de ogen; de ogen liggen in een zwart masker. De oren zijn groot en wit. De staart is ruig, met zwarte en witte haren. Kop-romp 29 tot 48 cm, staart 15 tot 20 cm; vrouwtjes wegen 295 tot 600 g, mannetjes 320 tot 715 g. Bij bedreiging zet hij de haren overeind, kromt de rug, heft de staart op en sist; daarbij kan hij een sterk ruikend secreet uit de anaalklieren afgeven.
Gelijkende soorten
De tekening maakt verwarring in goed licht onwaarschijnlijk. De steppebunzing heeft ook een lichte romp, maar die is egaal geelwit tot grijs, zonder vlekken, tegen donkere poten, borst en staart. De bunzing is donkerbruin tot zwart met een lichte ondervacht en een zilverwit masker tussen oog en oor. Op een cameravalbeeld bij nacht, waar de kleuren wegvallen, beslissen de grote witte oren, de witte voorhoofdsband en de lichte, gevlekte rug.
Leefgebied
Droge, open landschappen: steppe, halfwoestijn en woestijn, droge rotsige dalen in heuvels en bergen, en droog subtropisch struweel. In Europa steppe met verspreide meidoorn- en sleedoornstruiken. In Centraal-Azië ook oases, rivierdalbos (tugai), duinen met struiken, kleisteppe en zoutmoeras.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuidoost-Europa, de Kaukasus, Klein-Azië, het Midden-Oosten, Centraal-Azië, Mongolië en Noord-China. In Europa zijn er twee bevolkingen. De Balkanbevolking leeft in de Roemeense Dobroedzja, Bulgarije, Europees Turkije, Noord-Griekenland, Noord-Macedonië, Servië, Zuid-Dalmatië, Montenegro en waarschijnlijk Albanië. De bevolking ten noorden van de Zwarte Zee leeft in het zuidoosten van Oekraïne en in het Europese deel van Zuid-Rusland. Binnen het gidsgebied komt de soort verder voor in Turkije, de Levant en Egypte.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend 's nachts en in de schemering actief, soms ook overdag. Solitair; dieren kunnen elkaar ontmoeten, maar jagen en rusten alleen. Het gezichtsvermogen is zwak en de soort vertrouwt vooral op de reuk. Het voedsel bestaat uit kleine zoogdieren — grondeekhoorns, dwerghamsters, woestijnmuizen, muizen, woelmuizen en konijnen — en verder uit vogels, reptielen, amfibieën, slakken, insecten en vruchten. In Israël bestond het zomervoedsel voor 66% uit veenmollen, in de winter overheersten knaagdieren. Paartijd van maart tot begin juni. Door verlengde kiemrust duurt de totale draagtijd 243 tot 327 dagen; de jongen worden, afhankelijk van het gebied, in februari of maart geboren, vier tot acht per worp. De ogen gaan open na 38 tot 40 dagen, de jongen worden na 50 tot 54 dagen gespeend en gaan na 61 tot 68 dagen hun eigen weg. Vrouwtjes zijn na drie maanden geslachtsrijp, mannetjes na een jaar. Een dier in gevangenschap werd 8 jaar en 11 maanden oud.
Waar en wanneer kijken
De kans is het grootst in de resten van natuurlijke steppe in de Dobroedzja en de steppegebieden van Zuidoost-Oekraïne, waar grondeekhoorns leven. Zoek in de schemering en 's nachts langs graslanden met burchten van grondeekhoorns. Een verkeersslachtoffer met gemarmerde vacht en witte oren kan met foto en vindplaats worden gemeld.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2016) op wereldschaal; ook in de Europese beoordeling kwetsbaar. In Europa is de soort sterk achteruitgegaan met het verdwijnen van de steppe: een afname van ten minste 30% wordt vermoed. De belangrijkste oorzaak is de omzetting van natuurlijke steppe en halfwoestijn in akkerland, waardoor ook de prooidieren afnemen. Secundaire vergiftiging door rattengif is een mogelijke verdere oorzaak.
Wetenschappelijke naam
Vormela peregusna | (von Güldenstädt, 1770)
Von Güldenstädt beschreef de soort in 1770 als Mustela peregusna; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vormela is het Duitse Würmlein 'wormpje', een oude volksnaam voor de bunzing en zijn verwanten: een lang, laag dier dat zich als een worm door gaten wringt. peregusna is de plaatselijke naam van het dier in de Zuid-Russische en Oekraïense steppe, perehoeznja, die Güldenstädt onveranderd als soortnaam overnam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.


