Alle soorten › Roofdieren › Wasberen en neusberen › Gewone wasbeer
Gewone wasbeer | Procyon lotor
Raccoon | Mapache común
De wasbeer is een Noord-Amerikaans roofdier dat in 1934 bij Kassel werd uitgezet, ook uit pelsfarms ontsnapte en zich sindsdien over een groot deel van Europa heeft verspreid. Het is het enige zoogdier in Europa met een handvormige prent met vijf lange tenen, en het wordt vaak voor het eerst vastgesteld in of bij gebouwen, zoals op zolders en in schuren.
Sporen
De prent is het meest onderscheidende kenmerk van de soort: vijf lange, dunne, gespreide tenen met kleine nagelpunten vóór een klein zoolkussen, handvormig en ruwweg 6 tot 9 cm lang. Geen ander Europees zoogdier maakt zo'n prent; de das heeft ook vijf tenen, maar die zijn kort en staan in een boog voor een brede zool met zware nagels, en de otter heeft zwemvliezen. De achtervoet is langer en drukt met de hele zool af, zodat een langgerekte prent met hiel en vijf tenen ontstaat. Ook het loopspoor is kenmerkend: de wasbeer loopt in telgang, waarbij de linkervoorvoet en de rechterachtervoet naast elkaar terechtkomen, zodat er steeds twee ongelijke prenten naast elkaar staan, een voorvoet- naast een achtervoetprent. Ze zijn vooral te vinden in de slikrand van beken, vijvers, plassen en stuwmeren. De keutel is 5 tot 15 cm lang en ongeveer twee centimeter dik, met stompe uiteinden en vaak duidelijk gesegmenteerd, en bevat veel herkenbare resten: maïskorrels, kersen- en vlierpitten, schaaldelen van rivierkreeft en kevers. Hij ligt op vaste plekken, latrines, die niet op de grond maar hoog liggen: op een dikke tak, een boomstronk, een dakrand, een balk op zolder of een terrasplank, met oude en nieuwe keutels bij elkaar. Verse wasbeerkeutels kunnen eieren van de spoelworm Baylisascaris procyonis bevatten en vragen voorzichtigheid. Verder zijn er klimsporen op boomstammen en regenpijpen, vijf smalle krassen naast elkaar; opengetrokken vuilniszakken en omgekiepte bakken; leeggeroofde nestkasten en nesten van holenbroeders; opengebroken maïskolven en vraatschade aan kersen en druiven; en geluid boven een plafond: gestommel, gekras en een breed scala aan gepiep, gesnor en gegrom dat verschilt van de geluiden van een kat.


In zijn leefgebied

Het jong

Herkenning
Een gedrongen roofdier met een hoge rug, ter grootte van een kleine das, met een spitse snuit, kleine ronde oren met witte randen en een dichte, grijs-zwart gespikkelde vacht. Twee kenmerken zijn beslissend: het zwarte oogmasker, scherp afgetekend tussen witte wenkbrauwstrepen en een witte snuit, en de staart met vier tot zeven zwarte ringen op een geelgrijze grond. De poten zijn kort en zwartgrijs, en de voorvoeten hebben vijf lange, beweeglijke tenen waarmee het dier voedsel betast, vastpakt en omdraait; dat betasten in ondiep water is als 'wassen' opgevat en heeft de soort haar naam gegeven. De wasbeer loopt met gebogen rug en lage kop, klimt goed en kan langs een gladde regenpijp of boomstam omhoogklimmen; in het najaar wordt hij zichtbaar dikker. Jongen hebben vanaf het begin een masker en staartringen.
Gelijkende soorten
De combinatie van masker en geringde staart komt in Europa bij geen ander dier voor, maar in een lichtbundel of op een cameravalbeeld zijn drie soorten mogelijke verwarringen. De marterhond is de gewoonste en heeft ook een donker gezichtsmasker, maar dat loopt breed en vaag door tot in de wangen; zijn vacht is bruin en ruig met een donkere rugstreep, hij is veel lager op de poten, zijn staart is kort en ongeringd, en hij klimt niet. De das heeft strepen over de kop in plaats van een masker rond het oog, is grijzer, breder en veel zwaarder, en heeft een korte lichte staart. Een huiskat op een schuurdak wordt soms voor een wasbeer aangezien tot de staart zichtbaar is. De naam wasbeerhond in oudere literatuur verwijst naar de marterhond; het door elkaar gebruiken van beide namen leidt tot misverstanden. Of een waargenomen dier van een gevestigde populatie afkomstig is of een ontsnapt of losgelaten huisdier is, verschilt per land. In Duitsland, Nederland en België komen gevestigde populaties voor. Op de Britse Eilanden is er geen gevestigde populatie en is elk dier een ontsnapt gehouden exemplaar; houders hebben een vergunning nodig en ontsnappingen moeten worden gemeld. In Spanje stammen de verwilderde wasberen van losgelaten huisdieren, en leven gevestigde populaties, waarvan die langs de Jarama en de Henares bij Madrid het best bekend is, naast recent losgelaten dieren.
Leefgebied
In Noord-Amerika bewoont de wasbeer vooral oud loofbos met holle bomen bij water, en dat is ook in Europa het optimale leefgebied: loof- en gemengd bos met dikke, holle bomen langs beken, rivieren, vijvers en moerassen. De soort is echter zeer flexibel en leeft ook in parken, volkstuinen, campings, boerenerven, tuinen, spoortaluds en de bebouwde kom, met een dakbeschot, een schuur, een schoorsteen of een holle boom als slaapplaats. Zij heeft water in de buurt nodig, klimgelegenheid en vooral een gevarieerd voedselaanbod; uitgestrekt open akkerland en hooggebergte worden gemeden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het oorspronkelijke verspreidingsgebied is Noord-Amerika, van zuidelijk Canada tot Panama. In Midden-Europa gaan de populaties terug op twee gebeurtenissen in Duitsland: een uitzetting van enkele dieren aan de Edersee bij Kassel in 1934 en een ontsnapping uit een pelsfarm bij Berlijn in 1945, aangevuld met latere ontsnappingen uit farms en dierentuinen. Vanuit die kern heeft de soort zich verspreid over Duitsland, Polen, Tsjechië, Oostenrijk, Frankrijk, Italië, Wit-Rusland en de Kaukasus; alleen al Duitsland telt honderdduizenden dieren. Vanaf de Duitse grens heeft de wasbeer Nederland en België bereikt: in Nederland liep het aantal meldingen sinds 2017 op van enkele tot ruim honderd per jaar, met vastgestelde voortplanting in Limburg, de Biesbosch en oostelijk Overijssel; in België komt de soort vooral in Wallonië voor, waar zij zich vanuit de Ardennen westwaarts uitbreidt, en in Limburg. In Spanje is de oorsprong anders: niet uitzettingen voor de pelsteelt maar het loslaten van huisdieren, vooral vanaf de jaren 2000. Er zijn gevestigde, zich voortplantende populaties in de regio Madrid, langs de Jarama, de Henares en de Manzanares, waar sinds 2013 systematisch wordt gevangen, en kernen of herhaalde waarnemingen in Guadalajara, Catalonië, de regio Valencia, Andalusië en op de Balearen. Op de Britse Eilanden is geen gevestigde populatie; wasberen worden onder vergunning gehouden, ontsnappingen komen voor en de dieren worden teruggevangen. Alle voorkomens in Europa dateren van na 1934.
- Ingeburgerd
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De wasbeer is nachtactief en in steden vaak al in de schemering actief. Hij is een uitgesproken alleseter: regenwormen, kevers, sprinkhanen, rivierkreeften, mosselen, kikkers, vissen, eieren en jonge vogels, muizen, maïs, granen, noten, fruit en, waar hij bij mensen leeft, een groot deel van hun afval. Hij leeft solitair, met een leefgebied van enkele tientallen tot enkele honderden hectaren, in de stad veel kleiner; vrouwtjes met jongen kunnen groepjes vormen en meerdere dieren delen soms een slaapboom. De paring valt in februari en maart; na ruim twee maanden worden in april of mei drie tot vijf jongen geboren in een holle boom, een schuur of op een zolder, en ze blijven de hele zomer bij de moeder. De soort houdt geen winterslaap: bij vorst en sneeuw slaapt zij dagen tot weken achtereen in het hol en teert zij op het in het najaar opgebouwde vet, maar de lichaamstemperatuur daalt niet, en bij zacht winterweer is zij buiten actief.
Waar en wanneer kijken
Het zoeken naar sporen in modder levert de meeste waarnemingen op: na een droge periode zijn langs een drooggevallen beek- of vijveroever de voor- en achtervoetprenten naast elkaar te vinden. Daarnaast zijn cameravallen bij een latrine, een maïsakkerrand of een vijver het meest productief. In Duitsland is de wasbeer 's avonds regelmatig in de parken van Kassel en Berlijn te zien; langs de Jarama en de Henares bij Madrid wordt hij regelmatig vastgesteld. Een wasbeer buiten de bekende kerngebieden is informatie voor het beheer; meld hem daarom bij de bevoegde instantie. Voer hem niet en laat geen etensresten of vuilniszakken buiten staan: een wasbeer die eenmaal weet waar de afvalbakken staan, blijft terugkomen.
Staat van instandhouding
Op wereldschaal niet bedreigd (LC, 2016); in Europa is de relevante vraag een andere. Sinds 2016 staat de wasbeer op de Unielijst van invasieve uitheemse soorten: hij mag niet worden gehouden, gekweekt, vervoerd of verhandeld, en lidstaten moeten nieuwe vestigingen bestrijden en gevestigde populaties beheersen; Groot-Brittannië heeft die regeling in de eigen wetgeving overgenomen, en in Spanje staat de soort ook op de nationale lijst van invasieve exoten (Catálogo Español de Especies Exóticas Invasoras). De reden is de schade die de soort aanricht: zij plundert nesten van holenbroeders en van grondbroedende water- en moerasvogels, eet amfibieën en eieren van de Europese moerasschildpad, vormt plaatselijk een probleem voor kolonies van reigers en sterns, draagt de spoelworm Baylisascaris procyonis, die ook voor mensen gevaarlijk kan zijn, en draagt andere ziekteverwekkers; hondsdolheid, waarvan de wasbeer in Noord-Amerika een hoofdgastheer is, speelt bij Europese wasberen geen rol van betekenis, omdat West- en Midden-Europa vrij zijn van hondsdolheid bij wilde landdieren. Daarnaast is er schade aan gebouwen: dakisolatie, schoorstenen en zolders. In Duitsland is bestrijding op deze schaal niet haalbaar gebleken en richt het beleid zich op kwetsbare gebieden en soorten; in Nederland en Vlaanderen is het doel nog vestiging te voorkomen, en in Spanje, waar de kernen nog beperkt zijn, is uitroeiing het doel.
Wetenschappelijke naam
Procyon lotor | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ursus Lotor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Procyon is Grieks, van pro 'vóór' en kyōn 'hond'; het is ook de naam van de ster die vóór de Hondsster opkomt. lotor is Latijn voor 'wasser', bij lavare 'wassen', naar de gewoonte het voedsel in het water te betasten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verenigde Staten, Pennsylvania.






