Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Grauwe spitsmuis
Grauwe spitsmuis | Sorex isodon
Equal-toothed shrew | Musaraña Siberiana
De grauwe spitsmuis is een grote, donkere Sorex van de taiga, die van Scandinavië tot Kamtsjatka en Sachalin reikt. In de bergbossen van Zuid-Siberië is hij de talrijkste spitsmuis, maar in Europa, aan de westrand van zijn areaal, is hij schaars en plaatselijk. De wetenschappelijke naam isodon, 'gelijktandig', slaat op een gebitskenmerk: de kleine eenpuntige tanden in de bovenkaak worden van voor naar achter geleidelijk kleiner, zonder de sprong die andere soorten laten zien. In 2023 werd hij voor het eerst in Litouwen gevonden, buiten het tot dan bekende areaal.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn geen sporen bekend die alleen van deze soort zijn; keutels en gangetjes onder het strooisel en tussen mos zijn niet van die van andere spitsmuizen te scheiden. Vondsten komen uit vangonderzoek met valkuilen en uit braakballen van uilen. Schedels en onderkaken van Sorex zijn aan de roodbruine tandpunten te herkennen; om er deze soort in te zien is een loep nodig, waarmee de grootte en de kleur van de vijfde eenpuntige tand in de bovenkaak en de ligging van het foramen mentale in de onderkaak worden bekeken.
Herkenning
Een grote Sorex met een vrijwel eenkleurige, donkere vacht: bij jonge dieren bruin tot donkerbruin op de rug en iets lichter aan de buikzijde, bij volwassen dieren donkerder tot zwartbruin, zonder duidelijke grens tussen rug, flank en buik. De driekleurige tekening van de gewone bosspitsmuis ontbreekt dus. De staart is meestal langer dan de helft van de kop-romplengte, in doorsnede enigszins vierkant, tweekleurig of alleen aan de basis tweekleurig met een donkere punt, en eindigt in een pluimpje. De beslissende kenmerken zitten in het gebit: de eenpuntige tanden in de bovenkaak nemen geleidelijk in grootte af, en de vijfde daarvan is goed ontwikkeld en heeft een donker gepigmenteerde punt. Het karyotype telt 2n = 42. Kop-romplengte 5,4 tot 8,6 cm, staart 3,7 tot 5,5 cm, achtervoet 13 tot 15 mm, gewicht 6,1 tot 16,3 gram.
Gelijkende soorten
De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) leeft overal naast deze soort en lijkt er in vorm en grootte sterk op. In het veld is de grauwe spitsmuis niet met zekerheid van haar te scheiden; aanwijzingen zijn de donkere, egale vacht zonder lichtere flankband, de wat langere, hoekige staart en een iets grotere lichaamsbouw, maar jonge en verkleurde dieren van beide soorten overlappen. In de hand of aan een schedel beslist het gebit: bij de gewone bosspitsmuis is de vijfde eenpuntige tand in de bovenkaak klein en ongekleurd, bij de grauwe spitsmuis goed ontwikkeld en donker van punt; ook de ligging van het foramen mentale in de onderkaak en de vorm van de kaaktak verschillen. De noordse spitsmuis (Sorex caecutiens), een naaste verwant, is duidelijk kleiner en heeft een lichtere buik; de dwergspitsmuis (Sorex minutus) en de kleine dwergspitsmuis (Sorex minutissimus) zijn veel kleiner. De waterspitsmuis (Neomys fodiens), eveneens donker en vaak langs dezelfde beken, heeft een scherp afgegrensde lichte buik en zwemharen langs de voeten.
Leefgebied
In Europa vooral koele, vochtige, oude naaldbossen, met name sparrenbos met een dikke strooisellaag, een hoge, weelderige kruidlaag en veel luchtvochtigheid, en mozaïeken van rijk sparrenbos met natte graslanden, moerassen en oeverzones. Aan de westrand van het areaal, in Wit-Rusland en Oekraïne, wordt hij vooral gevonden in moerassige beekdalen, overstromingsgraslanden en elzenbroekbos langs rivieren. Buiten de bosgordel, in bossteppe en bostoendra, is hij zeldzaam, en de toendra mijdt hij.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Fennoscandinavië en het midden van Europees Rusland door de hele Siberische taiga tot de Stille Oceaan, met Kamtsjatka, Sachalin, Noordoost-China, Noord-Mongolië en het Koreaans Schiereiland. In Europa leeft de ondersoort S. i. ruthenus. Binnen het gidsgebied is de soort het best bekend uit Finland, waar hij op meer dan zeventig plaatsen is gevonden. In Zweden en Noorwegen is het areaal versnipperd, met geïsoleerde bevolkingen. Zuidelijk reikt het areaal tot het noorden en noordoosten van Wit-Rusland en de regio Soemy in het noordoosten van Oekraïne. In 2023 werd hij voor het eerst in Litouwen gevangen, 200 tot 225 kilometer van de dichtstbijzijnde bekende vindplaatsen in Wit-Rusland.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De grauwe spitsmuis is het hele etmaal actief, in meerdere perioden; dag- en nachtactiviteit zijn ongeveer even lang. Het voedsel wordt vooral gravend in de strooisellaag gezocht: regenwormen en muggenlarven zijn in bijna het hele areaal het belangrijkst, daarnaast spinnen, rupsen, keverlarven en duizendpoten; volwassen kevers spelen een kleine rol. Een winterslaap is er niet. De voortplanting begint twee tot drie weken later dan bij de andere spitsmuizen in hetzelfde gebied en loopt tot september; een vrouwtje krijgt tot drie worpen per seizoen, met één tot elf jongen en gemiddeld ongeveer zeven. De dieren leven solitair in een eigen leefgebied, dat in Karelië 1200 tot 2600 m² meet bij overwinterde mannetjes en 700 tot 1400 m² bij jonge mannetjes; op gunstige plekken liggen de leefgebieden dicht op elkaar. Zoals bij andere Sorex-soorten overleeft een dier doorgaans maar één winter.
Waar en wanneer kijken
Voor een waarneming van deze soort is vangonderzoek of het uitpluizen van braakballen vrijwel altijd nodig; een donkere spitsmuis die in een Fins of Zweeds sparrenbos over het mos schiet, kan evengoed een gewone bosspitsmuis zijn. Wie met een vergunning vangt, doet dat het best in vochtig oud sparrenbos met een hoge kruidlaag, langs beken en bronnige plekken, en controleert de vallen vaak. Zelfs op geschikte plaatsen is de grauwe spitsmuis gewoonlijk minder dan een tiende van de gevangen spitsmuizen. Wie een donker, egaal gekleurd dier in de hand heeft, kan met een loep naar de vijfde eenpuntige tand in de bovenkaak kijken; een foto daarvan maakt de waarneming controleerbaar. Vondsten aan de westrand van het areaal, zoals in Litouwen, Wit-Rusland en Noorwegen, zijn van belang voor de kennis van de verspreiding.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op wereldschaal (LC, 2016). In de bergbossen van Zuid-Siberië is de soort algemeen en vaak de talrijkste spitsmuis, maar in het Europese deel van het areaal is hij schaars: in gemengde spitsmuizengemeenschappen maakt hij meestal minder dan tien procent uit. In Europees Rusland staat hij daarom op verscheidene regionale Rode Lijsten, onder meer in Karelië en de oblasten Novgorod en Rjazan, en in Noorwegen wordt hij als onvoldoende bekend (DD) aangemerkt. Omdat de soort aan oude, vochtige naaldbossen met een dikke strooisellaag gebonden is, werken kaalkap en ontwatering van bossen tegen hem. Hij staat op bijlage III van de Conventie van Bern.
Wetenschappelijke naam
Sorex isodon | Turov, 1936
Turov beschreef de soort in 1936 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. isodon is Grieks voor 'gelijktandig', van isos 'gelijk' en odōn 'tand', naar de eenpuntige tanden die weinig in grootte verschillen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Siberië.






