Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Huisspitsmuis
Huisspitsmuis | Crocidura russula
Greater white-toothed shrew | Musaraña Gris
De huisspitsmuis is in West-Europa een van de algemeenste witsnuitspitsmuizen en leeft vaak dicht bij mensen: in schuren, kelders, composthopen en tuinmuren. Door katten gedode dieren worden geregeld op stoepen en deurmatten gevonden. Voor een spitsmuis is de soort ongewoon sociaal: ze is monogaam, en in de winter delen meerdere dieren één nest.
Sporen
De meest voorkomende aanwijzing is een geluid: een hoog, schel, snel herhaald gepiep onder een schuurvloer of achter een composthoop, meestal wanneer twee dieren elkaar tegenkomen. Het is van april tot oktober in tuinen en op erven te horen. De keutel is twee tot vier millimeter lang, donker, spits en glanzend door chitineresten, en ligt op een vaste plek in een looppad, onder een plank, pot of tegel. De looppaadjes zijn een halve tot anderhalve centimeter breed en lopen door het strooisel, onder de zode en langs de voet van muurtjes; gangen van muizen en mollen worden ook gebruikt. Prenten zijn nauwelijks een centimeter groot en alleen in zeer fijn slib herkenbaar. Een nest van fijn gras onder een steen, plank of omgekeerde bloempot is in de winter vaak door meerdere dieren tegelijk bewoond. Opvallend zijn dode huisspitsmuizen op stoepen en paden, gedood maar niet gegeten door katten, omdat de geurklieren op de flank ze onaantrekkelijk maken. Voor verspreidingsonderzoek worden braakballen van kerkuil en steenuil uitgeplozen.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een middelgrote spitsmuis met een zachte, matig dichte vacht. De rug is zeer variabel van kleur, van roodbruin tot grijs, met een geelgrijze haarbasis; de buik is lichter, grijswit tot grijs. Kenmerkend is dat de overgang tussen rug en buik geleidelijk is en geen lijn vormt: de rugkleur loopt geleidelijk over de flank naar beneden. De oren zijn groot en steken duidelijk uit de vacht, de voeten zijn donker maar lichter dan de rug, en de staart is ongeveer de helft van de kop-romplengte, donkerbruin en bezet met lange, afstaande tastharen tussen het korte haar. De tanden zijn zuiver wit. Kop-romplengte 4,4 tot 8,6 cm (een groot bereik, omdat jonge en volwassen dieren sterk verschillen), staart 2,4 tot 4,7 cm, gewicht 5 tot 16 gram. Dieren uit Noord-Afrika en van Gran Canaria zijn gemiddeld kleiner.
Gelijkende soorten
Er zijn twee verwarringsgroepen, met een verschillende uitkomst. De veldspitsmuis (Crocidura leucodon) is ongeveer even groot, maar heeft een scherpe grens tussen donkere rug en witte buik, die bij de huisspitsmuis nooit voorkomt; een zijaanzicht is voldoende. Moeilijker zijn de kleine soorten van de suaveolens-groep: de tuinspitsmuis en de daarvan afgesplitste Crocidura fimbriata, C. iculisma en C. gueldenstaedtii. De huisspitsmuis is daarvan alleen gemiddeld groter, met een naar verhouding kortere staart en een bredere kop. Dat verschil geldt voor reeksen, niet voor afzonderlijke dieren: een grote tuinspitsmuis en een kleine huisspitsmuis overlappen volledig, en waar beide voorkomen (Zuidwest-Frankrijk, Noord-Italië, het noorden van Iberië) beslissen tandenrij, schedel of DNA. De bosspitsmuizen (Sorex) zijn wel te onderscheiden: roodbruine tandpunten, drie kleurzones met een aparte flankband, kleine, in de vacht verzonken oren en een staart zonder afstaande tastharen. De wimperspitsmuis (Suncus etruscus) weegt ongeveer twee gram en is veel kleiner. Binnenshuis: een huismuis heeft een stompe snuit, grote ogen en knaagtanden, wat op een meter afstand te zien is.
Leefgebied
Breed, met een duidelijke voorkeur voor kleinschalig cultuurlandschap: vochtig grasland en bosranden met een dichte kruidlaag, houtwallen, heggen, bermen, akkerranden, boomgaarden, volkstuinen en tuinen, in het zuiden maquis en struweel, en vooral oude landbouwterrassen met droge stenen muurtjes, die gangen, dekking, warmte en insecten bieden. Langs beken en rivieren, tot ongeveer duizend meter hoogte. In het noorden van het areaal en hoger in de bergen is de soort grotendeels cultuurvolger en leeft ze in en rond huizen, schuren, kelders en composthopen. De populatie op Gran Canaria leeft in restanten laurierbos en in extensief boerenland.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
West- en Zuidwest-Europa: Duitsland, België, Nederland, Luxemburg, Noord- en West-Zwitserland, Frankrijk, Spanje en Portugal, met veel eilanden voor de kust, en in Noord-Afrika Noord-Marokko en Noord-Algerije. Op het Iberisch Schiereiland bewoont de soort vrijwel het hele vasteland en is ze een van de algemeenste spitsmuizen in het agrarische mozaïeklandschap. In Nederland is ze over het hele land verspreid en ontbreekt ze alleen op Vlieland en Terschelling. Op Gran Canaria leeft een populatie die lang als aparte soort (Crocidura osorio) werd beschouwd, maar bij nader onderzoek tot de huisspitsmuis bleek te behoren; ze is vrijwel zeker door mensen aangevoerd. Dat geldt ook voor de recentste uitbreiding: in 2008 werd de soort voor het eerst in Ierland gemeld, waar ze niet inheems is en zich sindsdien uitbreidt, en in 2021 volgde de eerste vondst in Engeland. Op de Kanaaleilanden komt ze voor op Guernsey en Herm; op Jersey en Sark leeft de kleine soort van de suaveolens-groep.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De soort foerageert in de strooisellaag en is in korte perioden de klok rond actief, met pieken in de schemering bij zonsopgang en zonsondergang. Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden (insecten, regenwormen, duizendpoten, spinnen, slakken en naaktslakken), aangevuld met plantaardig materiaal en af en toe een jonge muis of een hagedis; in Algerije bestond een zevende van de opgenomen biomassa uit hagedissen, gekko's inbegrepen. Dagelijks wordt ongeveer de helft van het eigen lichaamsgewicht gegeten. Voor een spitsmuis ongewoon is het sociale gedrag: de soort is monogaam, mannetje en vrouwtje blijven het hele seizoen samen en beide zorgen voor de jongen. In de winter overlappen de leefgebieden sterk en delen meerdere dieren één nest, waar ze samen in torpor gaan: een korte, ondiepe verlaging van lichaamstemperatuur en stofwisseling, die met meer dieren in het nest meer energie bespaart. Dat is geen winterslaap. Het krimpen van de schedel in de winter, bij Sorex bekend als het fenomeen van Dehnel, is bij dit geslacht niet vastgesteld. Er is één voortplantingsseizoen, van maart tot september en in het Middellandse Zeegebied van februari tot november, met tot vier worpen per jaar van twee tot tien jongen na een draagtijd van 28 tot 33 dagen; de jongen zijn na dertien tot twintig dagen zelfstandig. Vooral de vrouwtjes trekken weg, terwijl de mannetjes dicht bij hun geboorteplaats blijven; bij de meeste zoogdieren is dat andersom. In het wild wordt een huisspitsmuis zelden ouder dan achttien maanden.
Waar en wanneer kijken
Zoek de soort in tuinen en op erven. Leg een plank of een stuk golfplaat op een zonnige, ruige plek in een tuin of langs een erfrand en til die om de paar weken op: eronder liggen dan vaak looppaadjes, keutels en soms een nest. Luister op zomeravonden naar het scherpe gepiep langs composthopen en muurtjes. In de winter is de schuur de beste plek; een levendvangkooi met kattenvoer, 's nachts elk uur gecontroleerd, levert waarnemingen op waar andere methoden falen, maar alleen in handen van opgeleide en bevoegde personen, omdat een spitsmuis sterft in een val die te lang blijft staan. Leeft een dier dat een kat heeft gevangen nog, laat het dan los in dekking en fotografeer het van opzij, zodat de flank zichtbaar is. Houd waarnemingen bij: door de recente afsplitsingen zijn oude meldingen van deze soort aan de randen van het areaal het natrekken waard.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016) en in het hele, ruime areaal zeer algemeen; ook op de Nederlandse Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd. Ze verdraagt verlies van leefgebied beter dan de meeste kleine zoogdieren, omdat akkerranden, tuinen en schuren als leefgebied dienen. De soort is wel gevoelig voor gifstoffen: bij afvoerwater van pyrietmijnen in Europa hoopt ze zware metalen op in lever en nieren, en in de intensieve akkerbouw heeft het verlies van insecten direct gevolgen, omdat ze geen dag zonder voedsel kan. Belangrijke kwesties liggen buiten het kerngebied. In Ierland verdringt de ingevoerde huisspitsmuis de inheemse dwergspitsmuis, die verdwijnt uit gebieden waar de huisspitsmuis zich vestigt; dat is een goed gedocumenteerd geval van verdringing tussen twee kleine zoogdieren in Europa, en een reden om de ontwikkelingen in Groot-Brittannië te volgen. Taxonomisch geldt: nu Crocidura pachyura van Sardinië, Ibiza en Pantelleria als aparte soort is afgesplitst en het areaal van de huisspitsmuis daardoor kleiner is geworden, vragen de populaties die aan de zuid- en oostrand nog onder deze naam staan om herziening.
Wetenschappelijke naam
Crocidura russula | (Hermann in E. A. W. von Zimmermann, 1780)
Hermann in E. A. W. von Zimmermann beschreef de soort in 1780 als sorex russulus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. russula gaat terug op Hermanns russulus, een Latijns verkleinwoord bij russus 'rood', dus 'roodachtig', naar de roodbruine vacht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Bas Rhin.






