Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Kortstaartmolrat

Kortstaartmolrat | Nesokia indica

Short-tailed bandicoot rat | Nesokia indica

De kortstaartmolrat (Nesokia indica) is ondanks de naam geen molrat maar een lid van de echte muizen en ratten (Muridae) met een gravende, ondergrondse leefwijze. Het dier graaft met de snijtanden gangenstelsels van tientallen meters in vochtige akkerbodem, legt voorraadkamers aan en komt zelden boven de grond. Het areaal loopt van Noordoost-Afrika en het Nabije Oosten tot het Indisch subcontinent; in het westen bereikt de soort de Nijldelta, de Arava en Jordanië.

Kortstaartmolrat (Nesokia indica)
Foto: חמוטל לוי (Hamutal Levy) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Van deze soort is vrijwel alleen het graafwerk te zien. In vochtige bodem legt het dier een stelsel aan van enkele tot vele gangen, tot drieëntwintig meter lang, met voorraadkamers en een nestkamer, gewoonlijk vijftien tot zestig centimeter onder het maaiveld. De uitgegraven grond wordt in hopen naar de oppervlakte geschoven, die in een bevloeide akker of langs een kanaal in rijen liggen en van een molshoop verschillen doordat ze groter en grover zijn en plantenresten bevatten. Waar het dier door een dijk of irrigatiewal graaft, zakt de wal in; in de Nijldelta en het Jordaandal herkennen boeren de soort daaraan. Gewassen worden van onderaf aangevreten: een rij planten die achter elkaar verwelken en waarvan de wortels zijn afgeknaagd, zonder bovengrondse sporen, wijst op deze soort, evenals voorraadkamers met wortels, knollen en aren die bij het ploegen worden aangesneden. Prenten en keutels worden zelden gevonden, omdat het dier nauwelijks bovengronds komt.

Herkenning

Een zware, gedrongen rat met een korte staart: kop-romp vijftien tot ruim twintig centimeter, staart negen tot vijftien centimeter, 55 tot 60 procent van de kop-romplengte, en een gewicht van bijna honderd tot ruim driehonderd gram. De vacht is grof, kort, hard en enigszins stekelig, van boven vaalgeel of geelbruin tot grijsbruin, van onderen lichter. De staart is kaal, eenkleurig bruin en dik, niet tweekleurig. De kop is breed en stomp, de ogen zijn klein, de oren klein en in de vacht verzonken, en de oranjegele snijtanden zijn breed; ze worden bij het graven gebruikt. De poten zijn kort en krachtig, met stevige klauwen.

Gelijkende soorten

De bruine rat (Rattus norvegicus) is even groot, maar heeft een veel langere staart, een slankere kop, grotere ogen en oren, een gladde vacht en smalle snijtanden, en graaft ondiep. De zwarte rat heeft een staart die langer is dan kop en romp, grote dunne oren, en klimt. De blindmuizen (Spalax, Nannospalax) maken vergelijkbare aardhopen en zijn daardoor het moeilijkst te onderscheiden; ze zijn echter volledig staartloos, zonder zichtbare ogen en zonder uitwendige oren, en hebben een afgeplatte kop. Een dier met een korte maar duidelijk aanwezige staart en zichtbare ogen is een kortstaartmolrat. De woelrat (Arvicola) komt in dit deel van het Nabije Oosten niet voor. Wanneer alleen de aardhopen worden gevonden, wat meestal het geval is, beslissen het gebied en het type hoop.

Leefgebied

Vochtige bodem bij permanent water, in de praktijk vooral landbouwgrond: bevloeide akkers, rijstvelden, moestuinen, plantages, bermen van irrigatiekanalen en oevers van rivieren en sloten, en daarnaast droge struwelen en graslanden waar de bodem diep en zacht genoeg is. De soort komt voor van zeeniveau tot ongeveer zestienhonderd meter en heeft een duidelijke voorkeur voor vochtige grond nabij permanent water; in het droogste deel van het areaal is ze daardoor afhankelijk van bevloeiing.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Noord-Afrika en het Nabije Oosten door Centraal-Azië tot het Indisch subcontinent: Noord-Egypte (de Nijldelta), Zuidoost-Israël, West-Jordanië, Noordoost-Syrië, het uiterste zuidoosten van Turkije, Irak, centraal-west Saoedi-Arabië, Iran, Turkmenistan, West- en Zuid-Oezbekistan, Afghanistan, West- en Centraal-Tadzjikistan, Noordwest-China, Pakistan, Noord-India, West- en Zuid-Centraal-Nepal en Centraal-Bangladesh. De westgrens van het areaal ligt in de Nijldelta, de Negev en de Arava-vallei en Jordanië. In Europa komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief en grotendeels ondergronds. Planteneter: wortels, grassen, granen, groenten en vruchten van akkers, waarvan grote hoeveelheden in de kamers van het gangenstelsel worden opgeslagen. De voortplanting loopt het hele jaar door, met een piek in het regenseizoen; de draagtijd is ongeveer zeventien dagen, een worp telt één tot tien jongen, en een vrouwtje heeft gewoonlijk ongeveer drie worpen per jaar. Een gangenstelsel wordt bewoond door één dier of door een vrouwtje met jongen; de soort leeft niet in kolonies. Geen winterslaap; ook in de koudste maanden actief, met voedsel uit de voorraad. Over levensduur en verplaatsingen in het veld is weinig bekend.

Waar en wanneer kijken

Het dier zelf wordt zelden gezien; de soort wordt vastgesteld aan haar sporen. Langs de randen van bevloeide percelen in de Nijldelta, het Jordaandal of de Arava zijn rijen grove aardhopen met plantenresten, ingezakte irrigatiewallen en rijen verwelkende planten aanwijzingen. Bij zonsondergang schuift het dier grond naar buiten, en bij een verse hoop is dan soms de kop te zien. Graven levert weinig op en beschadigt de wallen van de boer. De dichtstbijzijnde vindplaatsen voor bezoekers uit Europa liggen in de landbouwgebieden van de Negev en de Arava en langs de Nijl.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort heeft een zeer groot areaal, is plaatselijk talrijk en heeft geprofiteerd van de uitbreiding van de bevloeide landbouw; waar bevloeid wordt, vestigt ze zich. Ze is daardoor ook een landbouwplaag: ze richt aanzienlijke schade aan graan, groenten en fruit aan en laat irrigatiewallen instorten, en in Egypte, Irak en Iran wordt ze plaatselijk stelselmatig bestreden. In de Arava en de Negev, aan de westrand van het areaal, is ze schaars en afhankelijk van een klein aantal bevloeide oases en akkercomplexen, zodat veranderingen in het waterbeheer daar direct gevolgen hebben.

Wetenschappelijke naam

Nesokia indica | (J. E. Gray, 1830)

J. E. Gray beschreef de soort in 1830 als Arvicola indica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nesokia wordt gelezen als het Griekse nēsos 'eiland' met oikein 'bewonen'. Gray licht de naam nergens toe, en omdat het dier geen eilandbewoner is blijft die lezing onzeker. indica is Latijn voor 'Indisch'; Gray beschreef het dier van het Indiase vasteland. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.