Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Mediterrane woelmuis

Mediterrane woelmuis | Microtus guentheri

Günther's Vole | Topillo de Günther

De mediterrane woelmuis (Microtus guentheri) is een woelmuis van de mediterrane zone van de Levant. In jaren met hoge aantallen richt de soort grote schade aan in de tarwevelden van Israël, Libanon en Syrië; in jaren met lage aantallen is ze moeilijk te vinden. Ze is de aanleiding voor een grensoverschrijdend programma waarin rattengif wordt vervangen door nestkasten voor kerkuilen.

Mediterrane woelmuis (Microtus guentheri)
Foto: Yoav Motro — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Een familie graaft een gangenstelsel met drie tot vijftig ingangen, in de winter ondiep (tien tot twintig centimeter) en in de zomer tot zestig centimeter diep, waar de temperatuur ook op de heetste dagen niet boven twintig tot vierentwintig graden komt. Het stelsel bevat een nestkamer met een bolvormig nest van droge planten en een of twee voorraadkamers met 250 tot 1500 gram opgeslagen zaad, graan en knollen; zulke voorraadkamers zijn kenmerkend voor woelmuizen van het ondergeslacht Sumeriomys. In Noord-Jordanië zijn meer dan veertig gangenstelsels per duizend vierkante meter geteld, zodat een aangetast luzerneperceel vol gaten zit. Bovengronds zijn er wissels door de vegetatie tussen de ingangen, hoopjes afgebeten gras langs de wissels en keutels van vier tot zeven millimeter in kleine latrines. In de winter en bij hoge dichtheden wordt de bast van jonge fruitbomen rondom afgeknaagd. De gangen worden ook door andere soorten gebruikt: in Jordanië zijn er grijze dwerghamster en Tristrams renmuis in aangetroffen. Onderzoek van kerkuilbraakballen is de betrouwbaarste inventarisatiemethode.

De kop van dichtbij

Mediterrane woelmuis, in de ingang van zijn gang op kale, schrale grond in zuidoost-turkije: groot oog, lang uitstekend oor en de bleke, licht vaalbruine vacht van de soort
In de ingang van zijn gang op kale, schrale grond in Zuidoost-Turkije: groot oog, lang uitstekend oor en de bleke, licht vaalbruine vacht van de soort · Foto: Dûrzan cîrano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Groot en gedrongen voor een woelmuis: kop-romp 10,9 tot 13 cm en 26 tot 47 gram, met een zeer korte staart van 2,3 tot 3,2 cm, ongeveer een vijfde van de kop-romplengte. Anders dan de meeste verwante soorten heeft ze lange, duidelijk uitstekende oren en grote ogen. De vacht is zacht, op de rug grijsbeige tot licht vaalbruin en fijn gespikkeld door zwarte haarpunten, op de flanken beige en op de buik grijswit, met een vage overgang; de staart is nauwelijks tweekleurig. De schedel is zwaar en matig hoog, met opgezwollen gehoorblazen en een brede interorbitale vernauwing; de snijtanden staan recht. Vrouwtjes hebben acht tepels; de voetzool heeft vijf zoolkussens.

Gelijkende soorten

Van woelmuizen buiten het geslacht Microtus is de soort goed te onderscheiden: geen andere woelmuis van de Levant combineert dit formaat, deze korte staart en zulke grote ogen en oren. Binnen het geslacht is determinatie moeilijk. Microtus hartingi werd tot 2016 tot dezelfde soort gerekend; die leeft op de Balkan, in Griekenland en in West- en Midden-Anatolië, de mediterrane woelmuis in Zuidoost-Turkije, Syrië, Libanon, Israël en Noordwest-Jordanië. Beide hebben 2n = 54 chromosomen en zijn alleen aan de bandering van de chromosomen en aan DNA te onderscheiden; in het veld en in de hand berust de determinatie uitsluitend op de vindplaats. De steppewoelmuis (M. socialis) lijkt sterk op de mediterrane woelmuis, maar is kleiner en bleker en heeft 2n = 62; in oudere literatuur zijn de twee soorten vaak verward, en pas schedelmetingen brachten duidelijkheid. In Zuidoost-Turkije en Noord-Jordanië komen daarnaast Microtus irani en M. dogramacii in aanmerking; dieren uit Jordanië die vroeger als guentheri werden aangeduid, worden nu tot dogramacii gerekend. Van de huismuis en de bosmuis, die in hetzelfde akkerland voorkomen, verschilt de soort door de stompe kop, de korte staart en de gedrongen bouw met nauwelijks zichtbare nek.

Leefgebied

Open, kortgrazig terrein op goed doorlatende hellingen, bij voorkeur met verspreide bomen en struiken, van zeeniveau tot minstens 1700 meter. De soort verkiest zware alluviale grond met een goed waterbindend vermogen en een lage bodemtemperatuur, en niet de losse zandgrond van de ondergrondse woelmuizen. Daarnaast het mediterrane cultuurland: terrassen met luzerne en maïs, graanakkers, boomgaarden, olijfgaarden, akkerranden en braakland. In het droge, halfwoestijnachtige binnenland ontbreekt ze; de soort is gebonden aan de mediterrane zone.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Zuidoost-Turkije, Syrië, Libanon, Israël, Palestina en Noordwest-Jordanië, de mediterrane strook van de Levant; de typelocatie ligt bij Kahramanmaraş in Turkije. In Syrië is de soort algemeen van westelijk Mesopotamië en Aleppo tot de kuststreek, het Orontesbekken en het uiterste zuidwesten, en ontbreekt ze in de droge en halfdroge gebieden. De soort komt niet in Europa voor: wat in oudere literatuur over 'Microtus guentheri' in Griekenland, Bulgarije, Noord-Macedonië, Servië en West-Turkije staat, heeft betrekking op Microtus hartingi.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het hele jaar en op elk tijdstip van het etmaal actief, maar de activiteit stopt boven vijfentwintig graden; in de zomer is de soort daardoor schemer- en nachtactief, in de winter ook overdag. In het laboratorium zijn er drie activiteitspieken: 's ochtends, rond het middaguur en 's avonds. Planteneter: groene kruiden, granen, zaden en knollen, met wikke, luzerne, paardenbloem en tijm als belangrijk voedsel. De soort leeft in familiegroepen van een broedpaar met vijf tot twaalf jongen, in een stelsel van drie tot twintig vierkante meter, bij grote groepen tot negentig; de dieren verplaatsen zich weinig, en in Israël werd drieënzeventig procent binnen tien meter van de vorige vangplaats teruggevangen. De voortplanting valt, anders dan bij woelmuizen in Noord-Europa, van november tot april, in het regenseizoen met groene vegetatie; van juni tot oktober zijn in Israël geen drachtige vrouwtjes gevangen. Paarvorming gaat aan de voortplanting vooraf. De draagtijd is eenentwintig dagen, het gemiddelde aantal embryo's bijna negen, en door paring direct na de worp kunnen worpen elkaar met tussenpozen van eenentwintig dagen opvolgen; de voortplantingscapaciteit wordt geschat op ongeveer zestig jongen per vrouwtje per seizoen. Vrouwtjes zijn na zesendertig dagen vruchtbaar. Deze combinatie verklaart de plotselinge massale toenames.

Waar en wanneer kijken

Zoek in de winter of het vroege voorjaar, het groeiseizoen in de Levant, langs de rand van een luzerne- of graanperceel in Galilea, de Golan, de Bekaavallei of de Turkse provincie Hatay. De ingangen liggen vaak in groepen van tientallen bij elkaar, en bij hoge dichtheid zijn de dieren overdag te zien. Bij massale toenames gaan ze bovendien rechtop op de achterpoten staan om rond te kijken en laten ze daarbij een fluitend geluid horen. Braakballen onder een kerkuilkast op een Israëlische kibboets of een Jordaanse boerderij geven een overzicht van de kleine zoogdieren van een streek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2023). Bij die beoordeling omvatte de soort nog Microtus hartingi en de Cyrenaïcawoelmuis, die inmiddels als aparte soorten gelden. De soort is algemeen, kent geen wezenlijke bedreigingen en gedijt in door de mens gevormde leefgebieden. Ze is de belangrijkste landbouwplaag onder de knaagdieren van de Levant: in 1992 vernielde een massale toename in Noord-Jordanië tarwe, zomergewassen en de stammen van jonge fruitbomen, en in Israël veroorzaakt ze in piekjaren schade in de akkers van het laagland. De bestrijding gebeurde oorspronkelijk met gif, vooral antistollingsmiddelen, met gevolgen voor uilen, roofvogels en roofzoogdieren. Sinds de jaren tachtig zijn in Israël, en later ook in Jordanië en de Palestijnse gebieden, duizenden kerkuilkasten en torenvalkpalen langs de akkers geplaatst, waardoor het gebruik van gif in de deelnemende gebieden sterk is verminderd. Het programma is uitgebreid gedocumenteerd en wordt over de landsgrenzen heen uitgevoerd.

Wetenschappelijke naam

Microtus guentheri | (Danford & Alston, 1880)

Danford & Alston beschreef de soort in 1880 als Arvicola guentheri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. guentheri eert Albert Günther (1830–1914), de uit Duitsland afkomstige zoöloog die de dierkundige afdeling van het British Museum leidde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Turkije, Kahramanmaraş.