Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Meriones sacramenti
Meriones sacramenti | Meriones sacramenti
Buxton's jird | Meriones sacramenti
Meriones sacramenti (Buxtons zandmuis) is een grote zandmuis van tot 275 gram, endemisch in de smalle strook duinen en zandvlakten tussen de noordelijke Sinaï en de Negev. De soort is gebonden aan los zand en staat op de Rode Lijst van de IUCN als kwetsbaar. Haar leefgebied wordt in snel tempo bebouwd, in cultuur gebracht en vastgelegd.
Sporen
De sporen zijn gebonden aan zacht zand. Het hol wordt gegraven in losse, diepe zandbodem, bij voorkeur op de flank van een duin of in een zandige akkerrand. De ingangen liggen in groepjes bij elkaar, omdat de dieren in kleine familiegroepen leven: een bewoond duin is te herkennen aan een aantal openingen binnen enkele meters, elk met een verse zandwaaier. In duinzand is het spoor goed te volgen: een viervoetig loopspoor met prenten van twee centimeter, vier tenen voor en vijf achter, en bij rustig lopen een doorlopende sleepstreep van de staart in het midden. Door het gewicht van het dier zijn de prenten diep en blijven ze in een windstille nacht bewaard. Keutels zijn zwart, spoelvormig en vier tot zes millimeter lang, en liggen in hoopjes bij de ingangen. Vraatsporen wijzen op een bladeter: afgebeten groene stengels en uitgegraven wortels en bollen, in het voorjaar ook aangevreten graankorrels langs akkerranden. In braakballen van de kerkuil is de soort aan de grote gehoorblazen van de schedel te herkennen; door haar gewicht komt ze vaker voor in braakballen van de oehoe dan in die van kleinere uilen.
De kop van dichtbij

Herkenning
Een grote, forse zandmuis van dertien tot zeventien centimeter kop-romp, met een staart van ongeveer dezelfde lengte en een gewicht van 125 tot 275 gram. De rug is roodachtig zandkleurig met verspreide zwarte haren, wat van dichtbij een gespikkelde indruk geeft; de buik is wit. De staart is tweekleurig en eindigt in een goed ontwikkelde zwarte pluim. De zolen van de achtervoeten zijn gedeeltelijk behaard, de achtervoet is lang (30 tot 41 mm), de oren meten 17 tot 22 millimeter. Het meest onderscheidende kenmerk zit in de schedel en is in het veld niet te zien: de gehoorblazen zijn zo sterk opgezwollen dat ze achter de schedel uitsteken en ruim een derde van de schedellengte beslaan. Aan een dood dier of een schedel uit een braakbal is de soort daaraan direct te herkennen.
Gelijkende soorten
Binnen het kleine areaal is verwarring beperkt maar mogelijk. Sundevalls zandmuis (Meriones crassus) komt ook in de Negev voor en is daar de algemeenste zandmuis; ze is veel lichter (55 tot 158 gram tegen 125 tot 275), grijzer in plaats van roodachtig zandkleurig, en heeft ivoorwitte klauwen en een lichte staartbasis. De Turkse zandmuis (Meriones tristrami) komt noordelijker voor, in vochtiger steppe, is kleiner en heeft een zwak ontwikkelde staartkwast. De vetzandrat (Psammomys obesus) is het andere zware lid van de renmuisachtigen in Israël: overdag actief, met een duidelijk kortere staart (ongeveer zeventig procent van de kop-romplengte) en donkere klauwen, en levend op zoutplanten in plaats van in duinzand. Een grote zwarte rat heeft een veel langere, kale, geschubde staart zonder pluim, grote naakte oren en geen witte buik. Morfologisch staat M. sacramenti dicht bij de Noord-Afrikaanse Shawwoestijnmuis en de Libische zandmuis, maar die komen niet in haar areaal voor; moleculair onderzoek naar de soort ontbreekt.
Leefgebied
Zandduinen van de kustvlakte en halfwoestijn met lage, schaarse begroeiing: de landinwaartse duinruggen en zandvelden van de zuidelijke kustvlakte van Israël en de noordelijke Negev, en de kuststrook van de noordelijke Sinaï. Waar het zand onder een gesloten vegetatiedek is vastgelegd of onder bebouwing of akkerland is verdwenen, ontbreekt de soort; van de zandmuizen in dit gebied is ze het minst aanpassingsvermogend. Akkerranden op zandgrond worden wel gebruikt, en daar ontstaan conflicten met de landbouw.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch in een klein gebied: de kustvlakte en de Negev van Israël en Palestina, en de kuststrook van Noordoost-Egypte op de Sinaï. De soort is monotypisch en kent geen ondersoorten. Het zwaartepunt ligt in de zandvelden tussen Beër Sjeva en de kust; de typelocatie ligt zestien kilometer ten zuiden van Beër Sjeva.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en uitsluitend op de grond levend, gravend in zachte bodem. De soort leeft in kleine familiegroepen, in tegenstelling tot de solitaire woestijnsoorten. Het voedsel bestaat uit bladeren en stengels, wortels en bollen, zaden, graan, vruchten en insecten; de soort geldt als meer bladetend dan andere zandmuizen, wat samenhangt met haar gewicht en met haar binding aan gebieden met groene vegetatie in de winter. Over de voortplanting is vrijwel niets gepubliceerd: draagtijd, worpgrootte en voortplantingsseizoen zijn onbekend. Geen winterslaap of winterrust.
Waar en wanneer kijken
Zoek overdag in een duinveld of een zandige braakstrook in de noordelijke Negev of de zuidelijke kustvlakte van Israël naar groepen holingangen en sporen in het zand, en keer na donker terug. De dieren komen vroeg in de nacht boven en zijn vanaf een vaste plek met een rode lamp goed te bekijken; ze bewegen zich langzaam en laten zich niet gemakkelijk verjagen. Zandwegen en akkerranden zijn 's nachts de beste plaatsen om ze te zien oversteken. De soort komt plaatselijk voor: veel geschikt ogend zand is onbewoond, dus zoek meerdere duinvelden op verse sporen af.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2021). De soort leeft in lage dichtheden in een klein areaal; de kustvlakte en de noordelijke Negev worden in hoog tempo bebouwd, en de resterende zandgronden worden omgezet in grootschalige landbouw. De politieke instabiliteit in het gebied bemoeilijkt veldwerk en bescherming. Door het ontbreken van gegevens over de voortplanting is gericht beheer moeilijk. Voor het voortbestaan van de soort is de bescherming van aaneengesloten, onbebouwde zandvelden bepalend.
Wetenschappelijke naam
Meriones sacramenti | O. Thomas, 1922
O. Thomas beschreef de soort in 1922 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Meriones is de naam van Meriones, de Kretenzische held uit de Ilias; die naam hoort zelf bij het Griekse mēros 'dij'. Waarom Illiger hem aan een renmuis gaf zegt hij niet. sacramenti is de genitief van het Latijnse sacramentum 'eed', dus 'van de eed'. Thomas beschreef het dier van Beër Sjeva, waarvan de Hebreeuwse naam als 'bron van de eed' wordt gelezen; hij zegt het niet met zoveel woorden, maar de toespeling ligt voor de hand. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Israël, Beër Sjeva.



