Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus lavernedii
Microtus lavernedii | Microtus lavernedii
Mediterranean Field Vole | Microtus lavernedii
Microtus lavernedii is een woelmuis uit het aardmuiscomplex van mediterraan en submediterraan Europa. Crespon beschreef het taxon in 1844 van de moerassen tussen Saint-Gilles en Aigues-Mortes in de Camargue. Daarna gold het lange tijd als ondersoort van de aardmuis; sinds 2012 wordt het op grond van genetisch onderzoek als afzonderlijke soort erkend, omdat het DNA van Zuid-Franse dieren sterk afwijkt van dat van aardmuizen uit Zweden en Groot-Brittannië.
Sporen
De sporen zijn dezelfde als die van de aardmuis. Boven de grond ligt een net van wissels van drie tot vier centimeter breed door dichte, hoge vegetatie, met hier en daar een ingang naar een ondiepe gang; het stelsel ligt grotendeels bovengronds. Het nest is een bol van fijngeknipt gras van twintig tot dertig centimeter onder een graspol of in een zeggenbult; na een maaibeurt of na de winter liggen deze bollen in nat hooiland open en zichtbaar. In de wissels liggen hoopjes schuin afgeknipt gras en keutels van vier tot zeven millimeter, grasgroen wanneer ze vers zijn. Braakballen van kerkuil en velduil zijn de betrouwbaarste bron voor de samenstelling van de woelmuisfauna van een gebied, maar ook daarmee is niet verder te komen dan 'aardmuis in ruime zin', omdat de kiezen van de drie afgesplitste soorten overlappen.
Herkenning
Uitwendig gelijk aan de aardmuis. Kop-romp 9,7 tot 14 cm, staart 2,6 tot 5,5 cm, gewicht 20,5 tot 59 gram. De vacht is lang, zacht en ruig, grijsbruin tot donkerbruin op de rug en grijs op de buik; de oren zijn klein en rond en half verborgen in de haren aan de oorbasis; de korte staart is tweekleurig en behaard. Het Handbook of the Mammals of the World noemt de soort morfologisch niet te scheiden van de aardmuis en van Microtus rozianus. Het enige beschreven verschil zit in het gebit: het extra driehoekje aan de binnenzijde achteraan de eerste bovenkies is bij deze soort zelden aanwezig en op de tweede bovenkies meestal klein, terwijl het bij de aardmuis regel is. Dit is een verschil in frequentie en geen determinatiekenmerk.
Gelijkende soorten
Er is geen kenmerk waarmee deze soort in het veld, in de hand of op een foto van de aardmuis en van Microtus rozianus te onderscheiden is. Toewijzing gebeurt op grond van de vindplaats. Ten noorden en oosten van de Zwitserse Jura (Duitsland, België en Nederland, Groot-Brittannië, Scandinavië, Polen) leeft de aardmuis. Deze soort leeft in Noord-Spanje ten oosten van ongeveer zes graden westerlengte, Zuid-Frankrijk, Noord-Italië, West- en Zuid-Zwitserland, Zuid-Oostenrijk, Slovenië, Kroatië, Hongarije, Noord-Bosnië en Noordoost-Servië. In Noordwest-Iberië (Galicië, het westen van Asturië en León, Noord-Portugal) leeft Microtus rozianus. Op het Iberisch Schiereiland komen dus M. rozianus en M. lavernedii voor en de aardmuis zelf niet; de grens tussen beide ligt rond zes graden westerlengte en valt niet samen met een zichtbare landschapsgrens. In de smalle contactzone met de aardmuis in de Jura is alleen genetische determinatie mogelijk; daar is mitochondriaal DNA van de ene naar de andere soort overgegaan, het Y-chromosoom niet. Van de andere woelmuizen in het areaal is de soort op dezelfde kenmerken te scheiden als de aardmuis: de veldmuis is gladder, geler en korter behaard, heeft vrij uitstekende oren met een kale binnenzijde en leeft in kort, droog gras; de rosse woelmuis is roodbruin, heeft grote ogen en een twee keer zo lange staart; de Provençaalse woelmuis, de Baskische woelmuis en de ondergrondse woelmuis zijn kleiner en korterstaartig, hebben zeer kleine ogen en verborgen oren, en werpen aarde op; de Cabrerawoelmuis is zwaarder en langharig en heeft een achtervoet van meer dan twintig millimeter met zes voetzoolkussentjes.
Leefgebied
Ongemaaid, vochtig grasland, vrijwel altijd bij water: hoge, pollige vegetatie van ruwe smele, pijpenstrootje en bochtige smele, biezen- en zeggenvelden, moerasspirearuigte, rietkragen en de natte, kruidenrijke zomen van beken, sloten en irrigatiekanalen. Ook natte bossen van grauwe els, schietwilg, populier, es en zomereik. In het mediterrane deel van het areaal is de soort beperkt tot vochtige plekken in een verder droog landschap: bronbeken, oevers en natte bergweiden. De verspreiding is daardoor sterker versnipperd dan die van de aardmuis in Noord-Europa.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Mediterraan en submediterraan Europa: Noord-Spanje van Cantabrië en Baskenland langs de Pyreneeën tot Catalonië, met het noordelijke deel van het Iberisch Randgebergte, verder Zuid-Frankrijk, West- en Zuid-Zwitserland, Noord-Italië, Zuid-Oostenrijk, Slovenië, Kroatië, Hongarije, Noord-Bosnië en Herzegovina en Noordoost-Servië. In Spanje is de verspreiding versnipperd en gebonden aan vochtige graslanden, biezenvelden en oevers. Ten westen van ongeveer zes graden westerlengte wordt de soort vervangen door M. rozianus. De grens met de aardmuis loopt door de Zwitserse Jura en is smal; het verdere verloop oostwaarts door Oostenrijk en het Karpatenbekken is niet vastgesteld, en de toewijzing van de dieren uit Noordoost-Italië is voorlopig. De soort ontbreekt in Noordwest- en Noord-Europa.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Voor zover onderzocht gelijk aan die van de aardmuis; het meeste wat hierover gepubliceerd is, betreft de aardmuis in ruime zin. Actief verdeeld over dag en nacht in korte perioden, met bovengrondse nesten in dichte vegetatie. Vrijwel geheel planteneter: grassen en kruiden, in de winter ook wortels en bast. De voortplantingstijd loopt van maart tot oktober, met één tot zeven embryo's per vrouwtje en gemiddeld iets meer dan vier. Door opeenvolgende worpen, vroege geslachtsrijpheid en een korte levensduur kan een populatie in één zomer sterk toenemen. Er is geen winterslaap. Over leefgebiedgrootte, sociale organisatie en verplaatsingen van deze soort afzonderlijk zijn geen gegevens.
Waar en wanneer kijken
Zoek op dezelfde plekken als bij de aardmuis, in het zuidelijke areaal: ongemaaid nat hooiland in de Franse of Italiaanse voorbergen, de zeggenrand van een bergbeek, de ruigte langs een irrigatiekanaal in de Camargue of de Po-vlakte. De grasbollen van de nesten zijn gemakkelijker te vinden dan het dier. Een waargenomen dier is niet op soort te brengen; de toewijzing volgt uit de vindplaats. Voor een zekere determinatie zijn braakballen of ander materiaal nodig dat genetisch wordt onderzocht; bij deze soort is dat inmiddels een standaardmethode.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024). De beoordeling is recent; tot kort daarvoor werd de soort niet afzonderlijk beoordeeld. De categorie weerspiegelt vooral dat het areaal groot genoeg is en dat de soort daarin algemeen voorkomt. Kort vóór deze beoordeling wezen de samenstellers van het Handbook op de noodzaak van een afzonderlijke beoordeling: het areaal is betrekkelijk klein, en het leefgebied, nat ongemaaid grasland en beekbegeleidende ruigte in mediterraan Europa, verdwijnt in Zuid-Frankrijk, Noord-Italië en het Pannonisch bekken door ontwatering, wateronttrekking voor irrigatie en kanalisatie van beken. De soort is niet zeldzaam, maar afhankelijk van de natste delen van een landschap dat droger wordt.
Wetenschappelijke naam
Microtus lavernedii | (Crespon, 1844)
Crespon beschreef de soort in 1844 als Arvicola lavernedii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. lavernedii eert een Lavernède, volgens Crespon 'een geleerde die mij altijd met zijn achting heeft vereerd'; vermoedelijk de Nîmese geleerde Jean-Étienne-Thomas Lavernède, maar Crespon noemt geen voornaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Gard.





