Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax hellenicus

Nannospalax hellenicus | Nannospalax hellenicus

Hellenic Blind Mole-rat | Nannospalax hellenicus

Nannospalax hellenicus is de zuidelijkst voorkomende blindmuis van Europa en de enige die de Peloponnesos bereikt; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Méhely beschreef het taxon in 1909 als ondersoort van Spalax monticola, naar dieren van de Parnassos. De Mammal Diversity Database behandelt het sinds 2024 als soort en rekent er de Griekse vormen thessalicus, peloponnesiacus en epiroticus toe, plus de in dat jaar beschreven ondersoort nopcsai. De soort heeft het hoogste chromosoomgetal van het Europese complex: 58, tegen 46 bij N. bulgaricus aan het andere uiterste.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

In het Griekse bergland zijn de aardhopen het bruikbaarste spoor. Het gaat om brede, lage hopen van grove kluiten zonder zichtbare opening, in een slingerende rij met twintig tot dertig meter tussenruimte over een bergweide of een verlaten akkertje. De rij volgt de hoofdgang, die met zijtakken tientallen tot bijna tweehonderd meter lang kan zijn. De gangen zijn vijf tot zeven centimeter breed; de voedselgangen liggen ondiep, de met gras beklede nestkamer en de voorraadkamers dieper. Op de kalkbodems van Midden-Griekenland is verwarring met de mol het meest waarschijnlijk: die werpt kleinere, hogere hopen van fijne kruimels op uit een verticale schacht, terwijl de hoop van de blindmuis breed uitloopt. Het Hongaarse veldprotocol rekent een hoop pas tot een blindmuis bij een basisdiameter van meer dan zestig centimeter. Verder zijn er afgebeten bollen en wortelstokken in geopende gangen (in de Griekse bergen zijn wilde bollen het hoofdvoedsel) en schedelresten in braakballen van oehoe en kerkuil, die op de kalkrotsen van de Parnassos en de Peloponnesos veel voorkomen.

Herkenning

Gelijk aan de verwante soorten: een halsloze, cilindrische graver met een brede, platte, wigvormige kop, een grote kale driehoekige neusspiegel en een stijve rand van lichte borstelharen die daarvandaan naar achteren loopt. De vacht is fluweelzacht en in alle richtingen strijkbaar, bruingrijs met een gele of rossige zweem. De gele tot oranje snijtanden steken voor de lippen uit. Er zijn geen oorschelpen, geen zichtbare ogen en geen uitwendige staart. Voor deze soort zijn geen eigen lichaamsmaten gepubliceerd; de maten van de westelijke blindmuis worden niet overgenomen. Het determinerende kenmerk is karyologisch: 2n = 58 chromosomen met armgetal NF = 88 bij de dieren van de Parnassos, tegen 56/84 bij de Epirotische vorm die de Mammal Diversity Database tot dezelfde soort rekent. Dat verschil geeft aan dat de indeling van deze groep nog voorlopig is.

Gelijkende soorten

Deze soort is in het veld niet te determineren. Blindmuizen van het leucodon-complex zijn uitwendig gelijk in vorm, formaat, vachtkleur, kopprofiel en tandkleur, en de in de literatuur genoemde verschillen vallen binnen de variatie van elke populatie. De soorten zijn gescheiden op chromosoomgetal, armgetal en DNA, en hun soortstatus berust op kruisingen tussen vormen die geen embryo's opleverden. De vindplaats helpt in Griekenland slechts gedeeltelijk: in Thracië en op de noordoostelijke eilanden leeft N. serbicus, op Limnos N. insularis, en op Lesbos begint het areaal van N. xanthodon, dat zelf als superspecies wordt beschouwd. Uit te sluiten zijn de mol, die kleiner is, schopvormige voorpoten en een korte staart heeft, en de woelrat, met normale oren, ogen en een lange staart. Een veldwaarneming wordt het best genoteerd als 'blindmuis', met berg en hoogte; de soortnaam vereist een karyotype.

Leefgebied

Bergweiden, hooilanden en droge graslanden op diepe, losse grond, van de lagere heuvels tot ver boven de boomgrens; het complex is tot 2400 meter vastgesteld. De soort leeft op de hoge weiden van de Parnassos, de Pindos en de bergen van de Peloponnesos, op oude terrassen en verlaten akkertjes, op ongemaaide randen en op karstvlakten waar de verweringsgrond diep genoeg is. Dicht bos, rots en drassige bodem zijn ongeschikt, en waar kalksteen aan de oppervlakte ligt, kan niet worden gegraven. De populaties zijn daardoor beperkt tot scherp begrensde plekken met geschikte bodem.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het Griekse vasteland, met de Parnassos als typelocatie: Midden-Griekenland, Thessalië, Epirus en de Peloponnesos, en daarnaast Albanië, waar in 2024 een eigen ondersoort werd beschreven. De grens met N. serbicus in Macedonië en Thracië is niet vastgesteld, omdat daarvoor vangst en karyotypering nodig zijn. Ook binnen deze soort verschillen de Griekse populaties in chromosoomgetal, wat erop wijst dat de indeling nog niet definitief is. Kaarten van vóór 2024 tonen heel Griekenland onder de naam Nannospalax leucodon. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Over deze soort afzonderlijk is nauwelijks iets vastgelegd; het volgende geldt voor het complex, waarbinnen de levenswijze weinig varieert. De dieren leven solitair en vrijwel volledig ondergronds, zijn het hele etmaal actief met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag, en houden geen winterslaap: in de Griekse bergwinter, met sneeuw tot ver in het voorjaar, leven ze van hun voorraadkamers. Het voedsel bestaat uit bollen, knollen, wortelstokken en dikke wortels, in Zuid-Europa vooral wilde bollen, in het late voorjaar aangevuld met groene plantendelen. Eén gangenstelsel is het territorium van één dier, dat buiten de paartijd geen soortgenoten toelaat. Na een draagtijd van ongeveer dertig dagen worden twee tot vier jongen geboren, meestal in maart of april; vrouwtjes planten zich pas in hun tweede jaar voort. Predatoren zijn vos, steenmarter, bunzing, herdershonden en oehoe; in de zuidelijke bergen jaagt ook de keizerarend op blindmuizen.

Waar en wanneer kijken

Zoek in april, mei of juni, zodra de sneeuw verdwenen is en het gras nog kort staat, op de hoogvlakten van de Parnassos, de Pindos of de Peloponnesos in open weiden naar een rij lage, brede aardhopen op tientallen meters afstand van elkaar. Verse aarde is donker, vochtig en grofkluitig; begroeide hopen wijzen op een verlaten stelsel. Vergelijking van een blindmuishoop met een molshoop ter plaatse is de enige determinatie die in het veld resultaat geeft. Het dier zelf wordt zelden gezien, hooguit wanneer het een bergweg oversteekt. Noteer bij elke vondst berg en hoogte; in deze groep bepaalt de vindplaats de toewijzing.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. De Rode Lijst kent alleen de verzamelsoort Nannospalax leucodon, die als niet bedreigd is beoordeeld; die beoordeling zegt niets over de Griekse dieren. Er zijn geen landelijke tellingen, geen trendgegevens en geen schatting van het aantal vindplaatsen. Bij een soort met een beperkt en sterk versnipperd bergareaal is dat een probleem: elke populatie is geïsoleerd op haar eigen plek met geschikte bodem, en verdwenen populaties worden niet vanuit de omgeving aangevuld. De belangrijkste bedreigingen in Griekenland zijn het wegvallen van extensieve beweiding, waardoor de hoge weiden dichtgroeien met struweel, de omzetting van grasland in akker en boomgaard, wegaanleg en skigebiedontwikkeling op de Parnassos, en branden. Zolang de Griekse blindmuizen officieel als vorm van een niet-bedreigde soort gelden, vallen ze buiten de reikwijdte van beschermingsregelingen.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax hellenicus | (Méhelÿ, 1909)

Méhelÿ beschreef de soort in 1909 als Spalax monticola hellenicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. hellenicus betekent 'Grieks', bij het Griekse Hellas, de naam die de Grieken zelf aan hun land geven; Méhelÿ beschreef het dier van de Parnassus. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekenland, Mount Parnassus.