Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax monticola

Nannospalax monticola | Nannospalax monticola

Montane Blind Mole-rat | Nannospalax monticola

Nannospalax monticola is de blindmuis van het Kupreško polje, de hoge karstvlakte in Midden-Bosnië waarvan Nehring de soort in 1898 beschreef; een Nederlandse naam heeft zij niet. De naam monticola is meer dan een eeuw gebruikt als verzamelnaam voor de blindmuizen ten zuiden van de Donau, en hellenicus, insularis en serbicus werden oorspronkelijk als ondersoorten ervan beschreven. Sinds de herindeling van de groep door de Mammal Diversity Database in 2024 is N. monticola beperkt tot de Dinarische hooglanden van Bosnië en Herzegovina en Kroatië.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Op de karstvlakten zijn de aardhopen het spoor; ze zijn er goed te vinden, omdat de poljes vlak en kortgegraasd zijn. Het gaat om brede, lage, grofkluitige hopen zonder opening, in een slingerende rij met twintig tot dertig meter tussenruimte langs de hoofdgang, die met zijgangen tot bijna tweehonderd meter lang kan zijn en een oppervlak van enkele honderden vierkante meter bestrijkt. De gangen zijn vijf tot zeven centimeter breed; de voedselgangen liggen ondiep, de met gras beklede nestkamer en de voorraadkamers dieper. Het onderscheid met de mol, die op dezelfde weiden voorkomt, is hier van praktisch belang: molshopen zijn kleiner, hoger en veel fijner van korrel en komen uit een verticale schacht, terwijl een blindmuishoop breed uitloopt en volgens het Hongaarse veldprotocol pas meetelt bij een basisdiameter van meer dan zestig centimeter. Verder zijn er afgebeten wortelstokken en bollen in geopende gangen, en schedels in braakballen van kerkuil, steenuil en oehoe; in dit bergland zijn braakballen vaak het enige bewijsmateriaal.

Herkenning

Een blindmuis van de gebruikelijke bouw: cilindrisch, halsloos en zwaar gebouwd aan de voorzijde, met een brede, platte, wigvormige kop, een grote kale driehoekige neusspiegel en een borstelige lichte rand die van de neus tot ongeveer halverwege de oorstreek naar achteren loopt. De vacht is fluweelzacht, bruingrijs met een gele of rossige zweem; de snijtanden zijn geel tot oranje en steken voor de lippen uit. Oorschelpen, zichtbare ogen en een uitwendige staart ontbreken. Voor deze soort zijn geen afzonderlijke kop-romplengten, staartlengten of gewichten gepubliceerd; de maten van de westelijke blindmuis worden niet overgenomen. Het determinatiekenmerk is het karyotype: 2n = 54 chromosomen met armgetal NF = 84, gemeten aan dieren van het Kupreško polje.

Gelijkende soorten

Deze soort is uitwendig niet te herkennen. Het chromosoomgetal van 54 deelt zij met N. montanosyrmiensis en N. serbicus; alleen het armgetal (84 tegen 86 en 98) scheidt ze, en dat wordt niet in het veld maar onder een microscoop aan een gekleurd beenmergpreparaat bepaald. Uiterlijk, formaat, vachtkleur en kopvorm geven geen aanwijzing. In het veld is de vindplaats bepalend: de Dinarische hooglanden van Bosnië en Herzegovina, met het Kupreško polje als kerngebied. Ten oosten daarvan liggen de bergen van N. montanoserbicus, ten noorden de Vojvodina met N. montanosyrmiensis en N. hungaricus, ten zuidoosten de dalen van N. serbicus. Met zekerheid uit te sluiten zijn de mol (half zo groot, schopvormige voorpoten, korte staart) en de woelrat (normale oren, ogen en een lange staart). Een blindmuis in een Bosnisch polje wordt genoteerd als 'blindmuis', met de vindplaats.

Leefgebied

Grasland en hooiland op diepe, losse grond in de Dinarische karst: de vlakke bodem van de poljes, schapenweiden op de plateaus, hooilandjes rond gehuchten en ongemaaide randen tussen steenhopen. Het Kupreško polje, de typelocatie, ligt op ruim 1100 meter. In het karstlandschap is geschikte grond schaars en scherp begrensd: waar kalksteen aan de oppervlakte ligt, kan niet worden gegraven, zodat de soort beperkt is tot plaatsen met voldoende diepe verweringsgrond, zoals poljes, dolinen en beekdalen. Bos, rots en drassige bodem worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De hooglanden van Bosnië en Herzegovina, met het Kupreško polje in het midden van het land als typelocatie, en volgens de Mammal Diversity Database ook Kroatië. Het areaal is gefragmenteerd; elk polje vormt een afzonderlijk leefgebied. De grens met de vormen ten oosten en ten noorden is niet nauwkeurig bekend, omdat daarvoor vangst en karyotypering nodig zijn, en die zijn in dit deel van de Balkan sinds de jaren zeventig en tachtig nauwelijks uitgevoerd. Kaarten van vóór 2024 tonen dit gebied onder de naam Nannospalax leucodon. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Over deze soort zelf is vrijwel niets uit eigen waarneming beschreven; het volgende geldt voor het complex. De dieren leven solitair en vrijwel volledig ondergronds, zijn het hele etmaal actief met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag, en houden geen winterslaap: in de karstwinter, die op deze hoogte lang en sneeuwrijk is, leven ze van voorraadkamers die in de herfst met bollen, knollen en dikke wortels zijn gevuld. Eén dier bezet één stelsel en laat geen soortgenoten toe, behalve in de paartijd aan het eind van de winter. De draagtijd is ongeveer dertig dagen; in maart of april worden twee tot vier jongen geboren, en vrouwtjes krijgen hun eerste worp pas in hun tweede levensjaar. Predatoren zijn vos, hermelijn, bunzing, herdershonden en oehoe. Over de meeste aspecten van de levenswijze zijn geen gegevens.

Waar en wanneer kijken

Bezoek in mei of juni, zodra de sneeuw verdwenen is en de weiden nog kort zijn, een polje zoals het Kupreško, Glamočko of Livanjsko polje, en zoek over de vlakke bodem naar een rij lage aardhopen op tientallen meters afstand van elkaar; verse aarde is donker, vochtig en grofkluitig. Vergelijk ook met molshopen in de buurt; naast elkaar zijn de verschillen in vorm en korrel duidelijk. Het dier zelf wordt vrijwel nooit gezien. Noteer plaats en hoogte, laat de hopen intact en meld de vondst: de kennis van de verspreiding berust grotendeels op veldwerk van een halve eeuw geleden.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. De Rode Lijst kent alleen de verzamelsoort Nannospalax leucodon, die als niet bedreigd is beoordeeld; die beoordeling zegt niets over deze soort. De onderzoekers die de groep herindeelden, wijzen erop dat verscheidene soorten uit het complex bedreigd zijn, geen bescherming genieten en nooit afzonderlijk zijn beoordeeld. De omvang en ontwikkeling van de Bosnische populaties zijn onbekend. In Kroatië gold de blindmuis sinds 1984 als verdwenen; in 2023 werd hij bij Vučedol aan de Donau teruggevonden, waarna een klein project begon om de vindplaats in kaart te brengen. De Mammal Diversity Database rekent Kroatië tot het areaal van deze soort, maar Vučedol ligt in Srem, het gebied van de laaglandvormen, en welke soort daar leeft, is niet vastgesteld. De bedreigingen zijn het scheuren van grasland, het wegvallen van extensieve schapenhouderij waardoor de poljes dichtgroeien, en bestrijding als landbouwplaag.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax monticola | (Nehring, 1898)

Nehring beschreef de soort in 1898 als Spalax monticola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons 'berg' en colere 'bewonen'; Nehring beschreef het dier van het hoogland bij Kupres in Bosnië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bosnië en Herzegovina, Kupres.