Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax xanthodon

Nannospalax xanthodon | Nannospalax xanthodon

Western Anatolian Blind Mole-rat | Nannospalax xanthodon

Nannospalax xanthodon is de blindmuis van Anatolië; in Europa komt de soort alleen op Lesbos voor. De dieren van dat eiland vormen de westrand van het wereldareaal en de enige Europese populatie van de soort. Een Nederlandse naam heeft de soort niet; in het Turks heet zij kör fare. Von Nordmann beschreef het taxon in 1839 naar materiaal uit Smyrna, het huidige İzmir. Net als de westelijke blindmuis is het een superspecies: onder de naam Nannospalax xanthodon vallen ten minste vijfentwintig chromosoomvormen met chromosoomgetallen van 2n = 36 tot 62, en de Mammal Diversity Database had er in 2025 N. nehringi, N. tuncelicus en N. cilicicus van afgesplitst.

Nannospalax xanthodon (Nannospalax xanthodon)
Foto: Bouke ten Cate — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De aardhopen zijn het belangrijkste spoor en zijn op Lesbos goed herkenbaar: breed en laag in plaats van kegelvormig, van grove kluiten in plaats van fijne kruimels, zonder zichtbare gangopening (de gang wordt van binnenuit afgesloten), en in een slingerende rij met vijfentwintig tot dertig meter tussenruimte. Het grootste nest ligt onder de grootste hoop; dat is in het veld een bruikbare vuistregel. De voedselgangen liggen op vijf tot veertig centimeter diepte, de diepere gangen en kamers op tachtig tot honderdvijftig centimeter. Er zijn één of twee nestkamers van ongeveer twintig bij twintig centimeter, bekleed met droog plantenmateriaal, naast voorraadkamers en latrines. In één stelsel werd tien kilo aardappelen, bieten en wortelen gevonden; een gewone voorraad weegt zeven- tot vijftienhonderd gram en is in de zomer het kleinst. Verder zijn er afgeknaagde wortels, bollen en knollen in de gang, en aan de oppervlakte plekken waar een plant van onderaf is weggetrokken. Braakballen van steenuil, kerkuil, bosuil en oehoe leveren aanvullende vondstgegevens.

Herkenning

Een middelgrote blindmuis van 14 tot 25 centimeter en 130 tot 522 gram, halsloos en cilindrisch, met een brede, platte kop en een zwaar gebouwde voorzijde; mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. De haren zijn over het grootste deel van hun lengte leigrijs met een geelbruine, grijze, roodachtige of bruine punt, waardoor de vacht van boven bruingrijs oogt; de buikharen zijn leigrijs en variëren van bijna zwart tot wit of zilverachtig. Kenmerkend is de kop: een grote, bruine, kale, driehoekige neusspiegel, met daarvandaan een borstelige rand van lichtere, gelige haren die tot ongeveer halverwege de oorstreek naar achteren loopt. Witte haren kunnen de neusspiegel en de lippen omzomen, en op de kop staan soms witte vlekjes of strepen. Oorschelpen ontbreken, de ogen liggen als lensjes onder een gesloten huidplooi, en er is geen uitwendige staart; de geraadpleegde bronnen geven daarom geen staartmaat. De snijtanden steken voor de lippen uit en zijn wit, geel of oranje.

Gelijkende soorten

Op Lesbos komt geen tweede blindmuis voor, zodat de toewijzing daar in de praktijk vaststaat; dat berust op de vindplaats, niet op een kenmerk. Uitwendig is niet te zien tot welke blindmuissoort een dier behoort: de vormen van dit geslacht zijn gelijk in vacht, formaat, kopvorm, borstelrand en tandkleur, en de verschillen vallen binnen de variatie van elke populatie. Binnen Anatolië is de determinatie zelfs met een chromosoompreparaat niet altijd mogelijk, en de recente splitsingen berusten mede op de vorm van het baculum en op DNA. Op het naburige vasteland en de Griekse eilanden leven andere soorten: in Grieks Thracië N. serbicus, op Limnos N. insularis, in de Griekse bergen N. hellenicus. Het geslacht is wel met zekerheid te bepalen. Een Nannospalax weegt ongeveer zoveel als een grote rat en bereikt maximaal iets meer dan een halve kilo; een Spalax van de oostelijke steppen weegt zes- tot achthonderd gram en is bijna een derde langer. Ook het graafwerk verschilt: de hopen van deze soort liggen op Lesbos vijfentwintig tot dertig meter uit elkaar in een dunne rij, terwijl een Spalax een dicht veld van hopen op een à twee meter afstand achterlaat. Op Lesbos komt Spalax niet voor. Uit te sluiten zijn wel de mol (kleiner, schopvormige voorpoten, korte staart) en de plaatselijke ratten, met oren, ogen en een lange staart.

Leefgebied

In Anatolië van mediterrane kuststreken via steppe en halfwoestijn tot bergweiden op 2900 meter, het talrijkst tussen 900 en 1600 meter; bos, rotsgrond en moeras worden gemeden. Op Lesbos zijn de belangrijkste leefgebieden niet-geïrrigeerd akkerland, weiden en de verspreide randbebouwing van dorpen; volgens modelonderzoek is ongeveer tweeëntwintig procent van het eiland geschikt. In de hogere delen van het eiland neemt de geschiktheid af. Overal is diepe, losse, goed doorlatende grond met een ondergronds voedselaanbod van bollen, knollen en dikke wortels vereist.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Anatolisch Turkije, met uitlopers in Armenië, Georgië en Iran; in Europa alleen Lesbos. De typelocatie is İzmir. De populaties op Lesbos vormen de westrand van het wereldareaal en zijn de enige Europese populaties van de soort. Oudere literatuur rekende ook Europees Turkije en andere Griekse eilanden tot deze soort; in de hier gevolgde afbakening behoren de Thracische dieren tot N. serbicus en die van Limnos tot N. insularis. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Strikt ondergronds en het hele etmaal actief, met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag. Er is geen winterslaap of winterrust; de winter wordt overbrugd met voorraadkamers. Het voedsel bestaat vooral uit ondergrondse plantendelen, bij voorkeur bollen (de knolvormige Geranium tuberosum wordt het vaakst genoemd), aangevuld met wortels en knollen; de dagelijkse opname bedraagt tweeëntwintig tot bijna zestig procent van het lichaamsgewicht. De soort leeft solitair; in optimaal leefgebied lopen de dichtheden op tot zestig dieren per hectare. Vrouwtjes hebben één worp per jaar: in Turkije van januari tot juni met een piek in februari, in Armenië vanaf januari met drachtige dieren tot in mei. De draagtijd is zesentwintig dagen; een worp telt één tot zes, meestal twee of drie jongen van vijf tot zes centimeter en negen tot negenenhalve gram. Ze worden bij ongeveer honderdvijftien gram gespeend en verlaten in de loop van de zomer het nest. Predatoren zijn steenuil, oehoe, bosuil en keizerarend.

Waar en wanneer kijken

Zoek op Lesbos in maart of april, wanneer het gras nog laag staat en verse aarde donker afsteekt, langs niet-geïrrigeerde akkerranden en in schapenweiden rond de dorpen naar een reeks brede, lage hopen met vijfentwintig tot dertig meter tussenruimte. De grootste hoop van de reeks ligt boven het nest. Verse, vochtige, grofkluitige aarde wijst op een bewoond stelsel. Als je op enkele meters van een verse hoop wacht, kun je soms zien hoe van binnenuit nieuwe aarde naar buiten wordt geduwd. De meeste waarnemingen van het dier zelf zijn toevalstreffers: een dier in afweerhouding langs een wandelpad, of een dier dat door een kat is gevangen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2023). Deze beoordeling geldt het superspecies als geheel en zegt weinig over de afzonderlijke vormen. Als geheel is de soort algemeen en komt zij in meerdere beschermde gebieden voor; het Handbook of the Mammals of the World vermeldt daarbij dat verscheidene vormen binnen het complex als afzonderlijke eenheden aandacht verdienen, omdat sommige chromosoomvormen een zeer klein verspreidingsgebied hebben. De bedreigingen zijn grootschalige akkerbouw, overbegrazing en versnippering. Voor de dieren van Lesbos geldt dat in versterkte mate: zij leven aan de uiterste rand van het areaal, op een eiland, en vormen de enige Europese populatie van de soort. Een verdwenen populatie wordt daar niet vanuit elders aangevuld.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax xanthodon | (von Nordmann, 1839)

Von Nordmann beschreef de soort in 1839 als Spalax typhlus xanthodon; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. xanthodon is Grieks voor 'geeltandig', van xanthos 'geel' en odōn 'tand', naar de gele snijtanden, tegenover de witte van leucodon. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Turkije, İzmir.