Alle soorten › Evenhoevigen › Holhoornigen › Pyrenese gems

Pyrenese gems | Rupicapra pyrenaica

Abruzzo Chamois | Gamuza De Los Abruzzos

De Pyrenese gems (Rupicapra pyrenaica) is de gems van de Pyreneeën, het Cantabrisch Gebergte en de Apennijnen. De soort bestaat uit drie gescheiden populaties, die als ondersoorten worden onderscheiden: pyrenaica in de Pyreneeën, parva in het Cantabrisch Gebergte en ornata, de Abruzzengems, in de centrale Apennijnen. Met de gems (R. rupicapra) van de Alpen en de Karpaten overlapt zij nergens.

Pyrenese gems (Rupicapra pyrenaica)
Foto: Juan Lacruz — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De prent is tweetenig, 5 à 6 cm lang, met hoefhelften die uit elkaar staan en een harde rand; de tenen spreiden in steil terrein. In sneeuw lopen de sporen schuin over sneeuwvelden van rotsband naar rotsband. De keutels zijn zwarte bolletjes in losse hopen op richels, niet met zekerheid te onderscheiden van die van steenbok en geit. Rustplaatsen zijn uitgeschraapte kuilen onder overhangende rotsen met keutels en haren. Het duidelijkste teken is de alarmfluit, een scherpe, hoge stoot door de neus.

Herkenning

Een kleine, slanke berggeit-antilope met een kop-romplengte van ongeveer 100 tot 130 cm, een schouderhoogte van 70 tot 80 cm en een gewicht van 22 tot 30 kg, kleiner en lichter gebouwd dan de gems. De zomervacht is kaneelkleurig tot reebruin. De wintervacht is op de flanken donkerbruin tot zwartachtig, met lichte vlekken op keel, schouder en flank die bij de Abruzzengems het grootst zijn en daar ook op het kruis voorkomen. De kop is licht, met een donkerbruine band van de snuit door het oog; borst en voorpoten zijn donker. Beide seksen dragen dunne, zwarte haakhoorns tot ongeveer 20 cm; bij de bok zijn ze aan de basis dikker en scherper gehaakt.

Gelijkende soorten

De gems (R. rupicapra) is groter, heeft een bijna zwarte wintervacht zonder lichte vlekken op keel en schouder, en leeft in de Alpen, de Jura, de Karpaten en de Balkan; waar een gems wordt gezien, beslist het gebergte over de soort. De Spaanse steenbok is veel forser, heeft geen gezichtstekening en bij de bok zware, naar achteren gebogen hoorns. Vrijlopende huisgeiten en de moeflon, met gekrulde hoorns en een lichte zadelvlek, zijn op afstand andere verwarringsmogelijkheden.

Leefgebied

Alpiene graslanden, puinhellingen, rotswanden en grasstroken tussen rotsbanden in de zomer; in de winter beuken-, dennen- en zilversparrenbos en zonnige, steile hellingen waar de sneeuw wegwaait. In de Pyreneeën leeft de soort tussen 1000 en 2800 m hoogte, in het Cantabrisch Gebergte tussen 400 en 2400 m.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

In de Pyreneeën komt de ondersoort pyrenaica voor in Spanje, Frankrijk en Andorra. In het Cantabrisch Gebergte leeft parva, van Galicië tot de Sierra de Híjar. De Abruzzengems (ornata) overleefde in het begin van de twintigste eeuw alleen in het gebied van het Nationaal Park Abruzzo; door herintroducties leeft zij nu in vijf populaties met samen meer dan 3000 dieren, waaronder de Majella, waar tussen 1991 en 2006 40 dieren werden vrijgelaten die in 2021 waren uitgegroeid tot meer dan 1400. In 2022 werd de totale populatie van de soort geschat op ongeveer 50.000 volwassen dieren.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De Pyrenese gems is overdag actief. Geiten, jongen en jonge dieren leven in troepen; oude bokken leven een groot deel van het jaar alleen. Het voedsel bestaat in de zomer uit alpiene grassen en kruiden, in de winter uit twijgen, knoppen, naalden en droog gras. De dieren trekken met de seizoenen omhoog en omlaag. De bronst valt in november en december. Na een draagtijd van ongeveer twintig weken wordt in mei of juni één jong geboren, dat de moeder binnen enkele dagen volgt.

Waar en wanneer kijken

Zoek vroeg in de ochtend met een telescoop de grasstroken tussen de rotsbanden af. Geschikte gebieden zijn het Nationaal Park Ordesa y Monte Perdido en Aigüestortes in de Pyreneeën, de Picos de Europa en Somiedo in het Cantabrisch Gebergte, en het Nationaal Park Abruzzo en de Majella in de Apennijnen. Loop niet boven een troep langs en luister naar de alarmfluit, die vaak het eerste teken van gemzen is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021); de Abruzzengems is als ondersoort kwetsbaar (VU), na een beoordeling als bedreigd in 1996. Alle drie de populaties zijn in de twintigste eeuw hersteld nadat ze tot enkele kernen waren teruggebracht. Ziekten veroorzaken plaatselijk grote sterfte: in de Catalaanse Pyreneeën sinds 2001 uitbraken van een pestivirus, in het Cantabrisch Gebergte sarcoptesschurft, en in de Pyreneeën gemsblindheid (infectieuze keratoconjunctivitis). In Spanje en Frankrijk wordt de soort volgens quota bejaagd; in Italië is de Abruzzengems strikt beschermd.

Wetenschappelijke naam

Rupicapra pyrenaica | Bonaparte, 1845

Bonaparte beschreef de soort in 1845 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Rupicapra is Latijn, van rupes 'rots' en capra 'geit': de rotsgeit. pyrenaica is Latijn voor 'van de Pyreneeën'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pyreneeën.