Alle soorten › Evenhoevigen › Hertachtigen › Ree

Ree | Capreolus capreolus

Roe Deer | Corzo europeo

Het ree is het talrijkste wilde hoefdier van Europa. In het veld is meestal eerst de witte spiegel te zien van een dier dat met korte sprongen wegvlucht. Het is een klein, hooggebeend hert dat minder aan bos gebonden is dan vaak wordt aangenomen: in grootschalig akkerland in Noordwest-Europa staan in de winter meer reeën op de akkers dan in het bos.

Ree (Capreolus capreolus)
Foto: Romzig — CC0 · Wikimedia Commons

Sporen

De prent van een evenhoevige heet een slot. Bij het ree is het klein, smal en spits: 3 tot 4,5 cm lang en 2 tot 3 cm breed, met de twee hoefhelften dicht bij elkaar en vrijwel evenwijdig, de punten naar voren. Het ree heeft achter en boven de hoef twee bijklauwen, en die drukken alleen af bij een sprong, in diepe modder of in sneeuw. Twee stipjes achter een klein tweetenig slot betekenen dus dat het dier rende of in zachte grond stond, niet dat het om een andere soort gaat. In het loopspoor zet het ree de achtervoet in de prent van de voorvoet, met een pas van 35 tot 45 cm; bij vluchten liggen de vier prenten in groepjes met 3 tot 5 meter ertussen. De keutels zijn zwart en glanzend, cilindrisch, 10 tot 14 mm lang, aan één kant spits en aan de andere kant met een kuiltje, en liggen in losse hoopjes van twintig tot zeventig; ze zijn kleiner dan die van het edelhert en verschillen van de ronde, platte, vezelige keutels van haas en konijn. Twee sporen zijn kenmerkend. Veegplekken: een jonge boom of struik — vaak lijsterbes, wilg, spar, vlier, jeneverbes of jonge den — waarvan de bast op 30 tot 120 cm hoogte in verticale repen is afgeschuurd en in flarden hangt, met de grond eromheen kaalgetrapt. In april veegt de bok de bast van zijn nieuwe gewei, en van mei tot juli veegt hij om zijn territorium te markeren met de klieren op zijn voorhoofd; hetzelfde boompje wordt jaren gebruikt en sterft er meestal aan af. En de reeënring of brandplek: in de bronsttijd, eind juli en augustus, drijft de bok de geit in cirkels rond een boom, struik, steen of pol, tot er een kaalgelopen ring of een liggende acht van tot enkele meters doorsnee in gras en kruidlaag staat. Dit spoor is kenmerkend voor het ree. Verder zijn er legers, ovale platgelegen plekken in hoog gras, varens of graan; vraatsporen aan twijgen met een gerafeld uiteinde, omdat herten geen snijtanden in de bovenkaak hebben en de scheut afrukken, terwijl haas en konijn hem schuin en glad afbijten; en 's nachts het blaffen, drie tot vijf harde, schorre stoten, dat vaak voor een hond wordt gehouden.

Ree, tweeteenprenten op een modderig bospad: twee smalle, spitse hoefjes van nog geen vier centimeter (tuntorp, zweden)
Tweeteenprenten op een modderig bospad: twee smalle, spitse hoefjes van nog geen vier centimeter (Tuntorp, Zweden) · Foto: W.carter — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Ree, keutels: glanzend zwarte, ovale bolletjes met aan één kant een puntje, in een hoopje bijeen (schaal 3,5 bij 9 cm; saaremaa, estland)
Keutels: glanzend zwarte, ovale bolletjes met aan één kant een puntje, in een hoopje bijeen (schaal 3,5 bij 9 cm; Saaremaa, Estland) · Foto: Raul Kern — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Ree, veegplek: een jonge boom waarvan de bok de bast met zijn gewei heeft afgeschuurd, tot op het blanke hout (bij namen, belgië)
Veegplek: een jonge boom waarvan de bok de bast met zijn gewei heeft afgeschuurd, tot op het blanke hout (bij Namen, België) · Foto: DidierFy — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Ree, geit in een frans loofbos met bloeiende boshyacinten, het leefgebied waar het ree in het voorjaar het meest te zien is
Geit in een Frans loofbos met bloeiende boshyacinten, het leefgebied waar het ree in het voorjaar het meest te zien is · Foto: Clément Bardot — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Ree, kop van een bok boven het graan: zwarte neusspiegel met witte vlekken opzij, witte kin en een geparelde geweistang
Kop van een bok boven het graan: zwarte neusspiegel met witte vlekken opzij, witte kin en een geparelde geweistang · Foto: Tjustorparn — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In wintervacht

Ree, in wintervacht, oostenrijk, januari: grijsbruine winterkleur, met de witte spiegel duidelijk zichtbaar tijdens de sprong
In wintervacht, Oostenrijk, januari: grijsbruine winterkleur, met de witte spiegel duidelijk zichtbaar tijdens de sprong · Foto: Martin Scheidleder — CC BY 4.0 · iNaturalist

Het jong

Ree, kalf van enkele weken oud, weggedrukt in het gras aan de bosrand; de witte vlekkenrijen op de rug vervagen in de eerste maanden
Kalf van enkele weken oud, weggedrukt in het gras aan de bosrand; de witte vlekkenrijen op de rug vervagen in de eerste maanden · Foto: AnRo0002 — CC0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klein, hooggebeend hert van 95 tot 135 cm kop-romplengte, 60 tot 75 cm schouderhoogte en 10 tot 25 kg, met een romp die naar achteren iets hoger wordt. De staart is met 2 tot 3 cm onzichtbaar; in het veld valt de spiegel op, het witte tot roomkleurige haarveld rond de anus, dat bij schrik wordt opgezet en dan duidelijk wit oplicht. De spiegel dient ook om de sekse te bepalen: bij de bok is hij nier- of boonvormig, bij de geit hartvormig, met onderaan een spitse haarkwast; in de winter is dat op afstand het enige betrouwbare verschil. De zomervacht is helder roodbruin, de wintervacht grijsbruin tot grijs met twee lichte keelvlekken. De neusspiegel is zwart, met een witte band over de bovenlip; de ogen zijn groot en donker, de oren lang en ovaal. Alleen de bok draagt een gewei: kort en recht opgaand, 15 tot 25 cm, met hoogstens drie enden per stang en een grof geparelde, geribbelde rozenstok aan de voet. Het gewei wordt in oktober tot december afgeworpen; het nieuwe groeit midden in de winter en wordt in maart of april van de bast ontdaan. Het ree is daarmee het enige Europese hert waarvan het gewei in de winter groeit. Kalveren zijn de eerste weken gevlekt. Het ree beweegt zich met korte, verende sprongen en kan hard en hees blaffen.

Gelijkende soorten

Het damhert is duidelijk groter en zwaarder, meestal gevlekt, en heeft een lange staart die aan de bovenzijde zwart is, met een zwart omrande spiegel in de vorm van een omgekeerd hoefijzer; het gewei van de damhertbok is geschoept. Het edelhert is twee tot drie keer zo zwaar, met een lange kop, een geelbruine spiegel zonder zwarte rand en een vertakt gewei. Een edelhertkalf is in de zomer ongeveer even groot als een ree en eveneens gevlekt; spiegel en kopvorm beslissen. Op de Britse eilanden komen daarnaast de muntjak voor, kleiner, met een bolle rug, een lange staart die bij het vluchten omhoog wordt gehouden en zichtbare hoektanden bij de bok, en de Chinese waterree, die geen gewei maar wel slagtanden heeft en geen witte spiegel. Een ree dat in de schemering met de kop laag in het gras staat, wordt geregeld voor een schaap of een geit gehouden, en omgekeerd.

Leefgebied

Bosranden en overgangen die daarop lijken: loof-, gemengd en naaldbos met open plekken, kapvlakten en jonge aanplant, ruige zomen en bramenstruweel, boomrijen, bosjes, houtwallen en heggen, en het aangrenzende akkerland; koolzaad, graan en gras zijn in het voorjaar belangrijk voedsel. In grootschalig open akkerland leeft de veldree, die zijn hele leven in het gewas doorbrengt; deze dieren staan in de winter in groepen op het kale land en zijn dan het gemakkelijkst waar te nemen. Gesloten, donker bos wordt niet verkozen, omdat daar weinig voedsel is.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Spanje en Schotland tot de Kaukasus en van Zuid-Italië tot Midden-Scandinavië, vrijwel overal talrijk. Op het Iberisch Schiereiland bewoont het de hele noordelijke helft — het Cantabrisch Gebergte, de Pyreneeën, het Iberisch Randgebergte en het Centraal Gebergte — en is het sinds de jaren zeventig sterk toegenomen door de ontvolking van het platteland en de uitbreiding van struweel en bos, tot in Extremadura in het westen en Catalonië en de Maestrazgo in het oosten. In de bergen van Cádiz en Málaga (Grazalema, Los Alcornocales, Sierra de las Nieves) leeft een geïsoleerde populatie, het Moorse of Andalusische ree, kleiner en lichter van kleur dan de noordelijke dieren en al duizenden jaren van de rest gescheiden. In Groot-Brittannië was het rond 1800 teruggedrongen tot de Schotse Hooglanden en enkele plekken in Noord-Engeland; herintroducties in de negentiende eeuw in Dorset, Sussex en East Anglia en natuurlijke uitbreiding vanuit Schotland brachten het terug in het grootste deel van het land, en het breidt zich nog uit naar Wales en de Midlands; de stand bedraagt enkele honderdduizenden dieren. In Nederland was het rond 1900 beperkt tot de Veluwe, Drenthe en enkele landgoederen; sindsdien heeft het het hele land bezet, inclusief de nieuwe polders (Flevoland op eigen kracht), het stadsrandgebied en Texel en Terschelling, met een stand in de orde van honderdduizend dieren. In België is het algemeen in de Ardennen, de Kempen en de Vlaamse bosgebieden en breidt het zich uit in het open landbouwgebied. Het ontbreekt in Ierland, waar een introductie in de negentiende eeuw in Sligo is mislukt, en op de meeste eilanden in de Middellandse Zee, waaronder de Balearen, en op de Canarische Eilanden.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief in de schemering en de vroege ochtend, in rustig boerenland ook overdag; 's nachts herkauwt en rust het. Het ree is geen grazer maar een selectieve knabbelaar met een kleine pens: knoppen, scheuten, braam, kruiden, klimop, bosbes en heide in de winter, eikels en beukennootjes in het najaar, en in het cultuurland koolzaad, jong graan en gras. Het eet in korte perioden, tien tot twaalf keer per etmaal, en herkauwt daartussen. De bok is territoriaal van maart tot augustus en verjaagt dan andere bokken; buiten die tijd leeft het ree solitair of als geit met kalveren, en in de winter vormen zich op open terrein losse sprongen van tot twintig dieren. De bronst valt eind juli en in augustus, met de ringen, het drijven en het blaffen, en wordt gevolgd door een kenmerk dat het ree van de andere Europese hertachtigen onderscheidt: uitgestelde innesteling. De bevruchte eicel blijft vier tot vijf maanden vrij in de baarmoeder en begint zich pas in december of januari te ontwikkelen, waarna de eigenlijke dracht ruim vier maanden duurt. De kalveren worden zo in mei of juni geboren, wanneer het gras hoog staat en het voedselaanbod het grootst is. Meestal zijn het er twee, soms één of drie, gevlekt en vrijwel geurloos; de eerste weken liggen ze alleen in het hoge gras, terwijl de geit in de buurt foerageert en alleen terugkomt om te zogen. Een reekalf in het gras is dus niet verlaten en moet onaangeroerd blijven liggen. Het maaien van gras- en luzernepercelen in mei en juni is een belangrijke doodsoorzaak. Reeën houden geen winterrust; in de winter daalt de stofwisseling en worden ze trager, en verstoring kost dan veel energie.

Waar en wanneer kijken

Het laatste uur daglicht aan de rand van een akker of weiland tegen een bosrand is het meest geschikt, in april of mei, wanneer het gras nog kort is en de bokken hun territorium aflopen. De spiegel valt eerder op dan het dier. In augustus zijn bronstige bokken overdag actief en reageren ze soms op nabootsing van de roep van de geit; dat werkt per plek hooguit één keer. In de winter is de veldree op kaal bouwland vanuit de auto goed te zien. Het Moorse ree is te zoeken in de bergen van Cádiz en Málaga; in het Cantabrisch Gebergte zijn beuken- en eikenbossen bij zonsopgang geschikt. Voor sporen: in maart zijn langs jonge aanplant de veegplekken te tellen, en in september is in het gras langs dezelfde rand een kaalgelopen ring te vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016), en in de twintigste eeuw sterk toegenomen. Sinds 1950 is het aantal reeën in vrijwel heel Europa gestegen en heeft de soort gebieden bezet waar ze eeuwenlang ontbrak: het bosareaal groeide, de kleinschalige landbouw verdween, maïs en koolzaad verrijkten het wintervoedsel, en de grote roofdieren waren verdwenen. De vraagstukken zijn daardoor tegengesteld aan die bij veel andere zoogdiersoorten. Aanrijdingen zijn een grote en toenemende doodsoorzaak (in Nederland alleen jaarlijks vele duizenden dieren), maaimachines doden jaarlijks tienduizenden kalveren, en vraat verhindert plaatselijk de natuurlijke verjonging van bos; in Groot-Brittannië geldt vraat door herten als een van de belangrijkste beperkingen voor het herstel van inheems bos. De terugkeer van wolf en lynx in Midden-Europa verandert dat beeld: het ree is voor beide de belangrijkste prooi, en waar wolven zich vestigen, veranderen niet alleen de aantallen maar vooral het gedrag van de reeën.

Wetenschappelijke naam

Capreolus capreolus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cervus Capreolus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Capreolus is Latijn voor 'geitje', een verkleinwoord bij caper of caprea 'geit'; op welk dier de Romeinen het toepasten is niet zeker. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.