Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Spermophilus odessanus

Spermophilus odessanus | Spermophilus odessanus

Podolian Ground Squirrel | Spermophilus odessanus

Spermophilus odessanus is de westelijke gevlekte soeslik. Tot 2024 werd de soort tot de gevlekte soeslik gerekend, maar zij heeft 36 chromosomen tegen 34 bij de oostelijke zustersoort, en de Dnjepr scheidt de twee. Zij is de grondeekhoorn van Zuidoost-Polen, Wit-Rusland, Moldavië en West-Oekraïne, en de enige soort van het geslacht die op een foto direct herkenbaar is, doordat de rug echte witte vlekken draagt. Er is geen Nederlandse of Spaanse volksnaam; de Mammal Diversity Database gebruikt de Engelse naam Podolian Ground Squirrel, en in het Pools heet de soort suseł perełkowany, 'parelsoeslik'.

Spermophilus odessanus (Spermophilus odessanus)
Foto: JozefBem1009 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het belangrijkste spoor is de kolonie. De holingangen zijn rond tot ovaal, vijf tot acht centimeter breed, lopen schuin de grond in en liggen bij tientallen verspreid over één perceel. Vóór elke verse ingang ligt een waaier van lichte, uitgeworpen ondergrond; op de lössgronden van Wolynië en Podolië is dat bleek zand tegen de donkere bouwvoor, waardoor een kolonie op braakliggend land op honderden meters afstand zichtbaar is als een veld met lichte vlekken. Rond de ingangen is het gras kort afgegraasd, ook waar geen vee meer graast, en tussen de ingangen lopen smalle uitgesleten paadjes. In de winter is een ingang van binnenuit dichtgestopt en herkenbaar aan een prop aarde net onder het maaiveld; in maart wordt hij weer geopend en ligt er verse grond omheen. Keutels zijn klein, donker en worstvormig en liggen verspreid. Het bruikbaarste veldkenmerk is de roep: een kort, scherp fluitje dat door de kolonie wordt herhaald zodra iemand het veld betreedt.

Spermophilus odessanus, holingang op een akkerrand bij odessa met de waaier van bleke, uitgegraven ondergrond die meters de helling af loopt
Holingang op een akkerrand bij Odessa met de waaier van bleke, uitgegraven ondergrond die meters de helling af loopt · Foto: Lobkov V.A — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Spermophilus odessanus, zo ziet een hele kolonie eruit: elke lichte vlek in dit veld bij odessa is de aarde voor één holingang
Zo ziet een hele kolonie eruit: elke lichte vlek in dit veld bij Odessa is de aarde voor één holingang · Foto: Lobkov V.A — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Spermophilus odessanus, dezelfde soort ingang aan het einde van de winterslaap, van binnenuit opengeduwd door de late sneeuw, met de eerste sporen eromheen
Dezelfde soort ingang aan het einde van de winterslaap, van binnenuit opengeduwd door de late sneeuw, met de eerste sporen eromheen · Foto: Lobkov V.A — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Spermophilus odessanus, wachtpost op de verse aardhoop bij zijn eigen pijp, akkerrand in de oblast odessa — de typestreek van de soort
Wachtpost op de verse aardhoop bij zijn eigen pijp, akkerrand in de oblast Odessa — de typestreek van de soort · Foto: Lobkov V.A — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Kop-romp 19 tot 22 cm, staart 3,6 tot 5,7 cm, gewicht 180 tot 220 gram; iets kleiner en met een veel kortere staart dan de siesel. Het determinatiekenmerk zit op de rug: op een grijsbruine tot kastanjebruine ondergrond staan scherp begrensde, room- tot zuiverwitte vlekken van twee tot vijf millimeter, van de nek tot de stuit, zo regelmatig verdeeld dat de rug van dichtbij gepareld is; daarop gaan de Poolse en Duitse naam terug. De kop is bruiner dan de rug, met een duidelijke lichte oogring en een kastanjebruine vlek onder het oog; keel en kin zijn wit, de buik geelwit. De oren zijn klein en rond, de staart is kort en dun, naar de punt donker, met een smalle lichte zoom. In de zomervacht zijn de vlekken het scherpst; bij een verharend dier in juli zijn ze vager. De hals is slank.

Gelijkende soorten

Bij de grondeekhoorns is het areaal doorslaggevend; deze soort heeft daarnaast als enige een kenmerk dat op een foto te zien is. Het areaal omvat Polen ten zuidoosten van Lublin, Wit-Rusland, Moldavië en Oekraïne ten westen van de Dnjepr. Daar overlapt het met dat van de siesel; dit is het enige overlappingsgebied binnen de groep. Het verschil is duidelijk: de siesel heeft alleen een vage zwarte marmering, deze soort scherp begrensde witte vlekken. Ten oosten van de Dnjepr leeft de gevlekte soeslik (S. suslicus), die er gelijk uitziet en in het veld niet te onderscheiden is; alleen de vindplaats ten opzichte van de rivier, het chromosoomgetal en DNA zijn doorslaggevend. Verder naar het zuidoosten, in de steppe tussen Dnjepr en Wolga, leeft de ongevlekte, zandkleurige S. musicus, ten oosten van de Wolga de dwerggrondeekhoorn. Met de twee Turkse soorten en de Kaukasische bergvorm overlapt het areaal nergens. Buiten het geslacht is de bobakmarmot veel groter en ongevlekt, heeft de hamster een zwarte buik en is die nachtactief, en heeft de Siberische grondeekhoorn lengtestrepen in plaats van vlekken.

Leefgebied

Droge, kortgrazige steppe en steppeweiden op löss en zandige leem, en in het cultuurlandschap schapenweiden, akkerranden, braakland, taluds van wegen en spoorlijnen, dijken, oude begraafplaatsen en bermen langs dorpsstraten. De soort is zoals alle soeslikken gebonden aan diepe, goed doorlatende grond en lage vegetatie, maar verdraagt iets meer dekking en iets langer gras dan de siesel. Van zeeniveau tot ongeveer 500 meter. In het Poolse deel van het areaal komt zij vrijwel alleen voor op terrein waar de vegetatie door menselijk gebruik kort blijft: militaire oefenterreinen, kleine vliegvelden en beweide hellingen bij Zamość.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het areaal loopt van de omgeving van Zamość en Hrubieszów in Zuidoost-Polen door Wit-Rusland en Moldavië tot de rechteroever van de Dnjepr in Oekraïne. De Dnjepr vormt de oostgrens; op de linkeroever leeft de gevlekte soeslik. De typelocatie is Odessa, waarnaar de soort is genoemd. In Polen was zij in de negentiende eeuw wijdverbreid; er resten enkele geïsoleerde kolonies, die sinds de jaren negentig actief worden beheerd en aangevuld met in gevangenschap gefokte dieren. In Oekraïne is het areaal in de laatste dertig jaar sterk versnipperd.

Levenswijze

De soort is dagactief, met een piek in de ochtend en een tweede in de late namiddag; op hete dagen blijven de dieren rond het middaguur onder de grond. Zij leeft in kolonies maar niet in groepen: elk volwassen dier heeft een eigen gangenstelsel en verdedigt een klein territorium van enkele honderden vierkante meters. Het voedsel is grotendeels plantaardig: zaden, jonge scheuten, bladeren, bollen en knollen, in de zomer graan, aangevuld met sprinkhanen en kevers. Voedsel wordt in de wangzakken naar het hol vervoerd. De winterslaap is lang: volwassen dieren gaan in augustus of september de grond in en komen in februari of maart weer boven; de ingang wordt van binnenuit dichtgestopt. Kort na het uitkomen is er één paartijd; na ongeveer vier weken dracht worden vijf tot acht jongen geboren, die na ongeveer vier weken bovengronds komen. De sterfte in de eerste winter is hoog, plaatselijk tot zeventig procent. Predatoren zijn vos, bunzing, hermelijn, steppebunzing en grote valken en arenden van de steppe; in het wild worden de dieren zelden ouder dan drie jaar.

Waar en wanneer kijken

De beste periode is eind april tot half juni, tussen negen uur en het middaguur. De best bereikbare populatie leeft op de kalkhellingen en oefenterreinen rond Zamość in Zuidoost-Polen, waar informatieborden staan. Zoek eerst met de verrekijker naar de bleke aardhoopjes, ga dan zitten en wacht; meestal verschijnen binnen tien minuten de eerste dieren. Maak een foto van de rug, omdat dat bij deze soort het determinatiekenmerk is, en vermijd tegenlicht, waarin de vlekken niet zichtbaar zijn. Na half juli is de kans op waarnemingen klein.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld (NE). De IUCN heeft de soort nog niet apart van de gevlekte soeslik beoordeeld, omdat de afsplitsing pas in 2024 is gepubliceerd. De gevlekte soeslik in ruime zin staat sinds 2023 als ernstig bedreigd op de Rode Lijst, en de westelijke deelpopulatie, die deze soort vormt, gaat eveneens sterk achteruit: in Polen is zij van een algemene bewoner van akkerland teruggebracht tot enkele beheerde kolonies, en in Moldavië en Oekraïne is de ontwikkeling vergelijkbaar. De oorzaken zijn dezelfde als bij andere soeslikken: het verdwijnen van extensieve beweiding, het omploegen van de laatste steppepercelen en versnippering, waardoor verdwenen kolonies niet opnieuw worden bezet. In Polen loopt sinds de jaren negentig een fok- en herintroductieprogramma. Een aparte IUCN-beoordeling van de soort ontbreekt nog.

Wetenschappelijke naam

Spermophilus odessanus | von Nordmann, 1842

Von Nordmann beschreef de soort in 1842 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spermophilus is Grieks, van sperma 'zaad' en philos 'liefhebbend': de zaadliefhebber, naar het voedsel dat het dier in zijn wangzakken naar het hol draagt. odessanus betekent 'van Odessa'; Nordmann, hoogleraar in die stad, beschreef het dier uit de steppe eromheen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oekraïne, Odessa.