Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Tatrawoelmuis
Tatrawoelmuis | Microtus tatricus
Tatra Vole | Topillo de Tatra
De tatrawoelmuis is in 1952 beschreven uit het Grote Koude Dal in de Hoge Tatra en is endemisch in de Karpaten; buiten dat gebergte is de soort niet vastgesteld. Zij heeft tweeëndertig chromosomen (2n = 32) en zes eeltkussens onder de achtervoet, tegen vijf bij de andere ondergrondse woelmuizen. Beide kenmerken zijn alleen bij een dier in de hand vast te stellen; in het veld is de soort niet van de ondergrondse woelmuis te onderscheiden.
Sporen
De soort leeft deels ondergronds en deels bovengronds, waardoor de sporen beter herkenbaar zijn dan die van de andere ondergrondse woelmuizen. Zij legt uitgebreide gangenstelsels aan in de losse, vochtige bodem onder varens en zeggen, maar eet overwegend bovengronds, zodat naast de gangen ook wissels liggen. Op puinhellingen en langs de rand van de dwergdennenzone liggen onder de vegetatie en tussen de blokken geveegde paadjes van drie tot vier centimeter breed, en aan de voet van stenen of sparren ronde gaten van twee tot drie centimeter, vaak met een klein hoopje fijne aarde ernaast. In de zomer liggen bij de gangopeningen hoopjes afgeknaagde stengels van gelijke lengte van klaverzuring, hoefblad en alpiene kruiden, resten van voedsel dat dicht bij dekking is gegeten. In de winter gaat het graven onder de sneeuw door; na de sneeuwsmelt in mei en juni ligt op de alpiene weiden het net van wintergangen, bestaande uit vervilte graskoorden, aan de oppervlakte, met daartussen fijngeknaagde resten van stengels. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, en liggen in kleine latrines. Zoals bij alle soorten uit deze groep zijn braakballen de betrouwbaarste bron: braakballen onder roestplaatsen van ruigpootuil en bosuil, en in het gebergte ook van torenvalk, geven de soortensamenstelling van een dal weer.
Herkenning
Een vrij forse ondergrondse woelmuis met een kop-romplengte van 8,3 tot 11,5 cm; mannetjes wegen gemiddeld dertig gram, vrouwtjes vijfentwintig. De staart is voor deze groep lang, 3,1 tot 4,7 cm, ofwel 35 tot 41 procent van de kop-romplengte, tweekleurig en met een duidelijke haarkwast aan het eind. De ogen zijn klein, hoogstens twee en een halve millimeter in doorsnede; de oren zijn middelgroot en nog net zichtbaar. De vacht is grover dan bij verwante soorten en lijkt op die van de aardmuis: donkerbruine rug, zilvergrijze buik met een lichte gele zweem, witachtige voeten. Vrouwtjes hebben vier tepels in twee liesparen. De schedel is groot en hoog, met duidelijke bovenoogrichels. Onder de achtervoet liggen zes eeltkussens; de andere ondergrondse woelmuizen hebben er vijf.
Gelijkende soorten
Het areaal sluit de meeste soorten uit. In de Karpaten is de enige andere ondergrondse woelmuis de ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus); die is kleiner, heeft een kortere staart (twintig tot zesendertig procent van de kop-romplengte tegen vijfendertig tot eenenveertig) en vijf eeltkussens onder de achtervoet in plaats van zes. De maten overlappen echter, en het verschil in staartlengte is bij een levend dier in het gras niet vast te stellen; in het veld en op een foto zijn de twee niet te onderscheiden. Liechtensteins woelmuis en Fatio's woelmuis komen voor in de Alpen en de Dinariden en niet in dit areaal. Ter plaatse zijn wel uit te sluiten: de rosse woelmuis, met roodbruine rug, grote uitpuilende ogen, uitstekende oren en een staart van de halve lichaamslengte; de aardmuis, groter en grover behaard, met duidelijk zichtbare oren; en de sneeuwmuis van rotshellingen, grijswit met een lange witte staart en grote oren, die op dezelfde puinhellingen voorkomt maar op afstand herkenbaar is. De twee ondersoorten, M. t. tatricus in Slowakije en Polen en M. t. zykovi in Oekraïne en Roemenië, verschillen in DNA en niet in uiterlijke kenmerken.
Leefgebied
Bergbos en de zone daarboven: sparrenbos met een dichte varenlaag, gemengd berg- en lariksbos, de dwergdennengordel en de alpiene weiden daarboven, en vooral puinhellingen en blokvelden met een lichte, vochtige bodem tussen de stenen. De soort is gevonden tussen 600 en 2340 meter en is het talrijkst tussen 1100 en 1700 meter. Zij is gebonden aan een losse, doorwortelbare bodem onder een dichte kruidlaag; de vindplaatsen liggen in de vochtige, koele, kruidenrijke delen van het bergbos, niet in de weiden van de dalbodem.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Alleen de Karpaten, en daarbinnen in geïsoleerde deelgebieden. In de westelijke Karpaten komt de soort voor in de Hoge en Lage Tatra, de Kleine en Grote Fatra in Slowakije en aan de Poolse zijde van de Tatra; in de oostelijke en zuidelijke Karpaten in de Oekraïense Karpaten en in Roemenië. Het areaal is versnipperd doordat de soort aan een bepaalde hoogtezone gebonden is, zodat de populaties per gebergte van elkaar geïsoleerd zijn. De westelijke populatie beslaat ongeveer 840 vierkante kilometer.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
In de zomer nachtactief, deels gravend en het hele jaar actief, ook onder de sneeuw. Het zomervoedsel bestaat vooral uit groene bladeren, stengels en wortels, met duidelijk meer tweezaadlobbigen dan grassen, zoals klaverzuring, purperen hoefblad en alpiene kruiden, aangevuld met mossen en bessen. De voortplantingstijd duurt ongeveer honderdveertig dagen: zij begint in april, piekt in juni en eindigt in september. Een vrouwtje draagt één tot vier embryo's, gemiddeld tweeënhalf, en brengt zeven tot negen jongen per seizoen groot; de veldmuis brengt in dezelfde periode ongeveer tien keer zoveel jongen voort. Geslachtsrijpheid wordt pas in het tweede levensjaar bereikt, laat voor een woelmuis. In Slowakije zijn territoria gemeten van 836 vierkante meter voor mannetjes en 586 voor vrouwtjes; mannetjes verplaatsen zich over grotere afstanden.
Waar en wanneer kijken
De kans op een waarneming is klein, en zonder het dier in de hand is een determinatie niet sluitend. In de praktijk zijn vindplaats en sporen het uitgangspunt. In juni en juli zijn in de Hoge Tatra, de Kleine Fatra en de Oekraïense Karpaten de puinhellingen aan de bovenrand van het sparrenbos, met varens en klaverzuring tussen de blokken, de plekken om te zoeken; daar liggen tussen de stenen de gaten, de geveegde paadjes en de hoopjes afgeknaagde stengels. Direct na de sneeuwsmelt, eind mei, ligt het net van wintergangen zichtbaar op de alpiene weiden en geeft het een indruk van de activiteit onder de sneeuw. Het dier zelf wordt vrijwel alleen bij onderzoek gezien: alle bruikbare afbeeldingen van deze soort zijn gemaakt van gevangen exemplaren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2008). De beoordeling houdt in dat geen achteruitgang is aangetoond. De westelijke populatie wordt geschat op 200.000 tot 250.000 dieren, en er zijn geen aantalsschommelingen of uitbraken vastgesteld, wat voor een woelmuis ongebruikelijk is. De kwetsbaarheid ligt in de opbouw van het areaal: een klein totaal oppervlak, verdeeld over geïsoleerde gebergten, en een soort met specifieke eisen en een lage voortplantingssnelheid. Jacht en vergif worden niet als bedreiging genoemd, klimaatverandering wel: als de zone van sparrenbos, dwergden en vochtige puinhelling naar boven verschuift, neemt het beschikbare leefgebied per gebergte af.
Wetenschappelijke naam
Microtus tatricus | (Kratochvíl, 1952)
Kratochvíl beschreef de soort in 1952 als Pitymys tatricus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. tatricus betekent 'van de Tatra', het hooggebergte op de grens van Slowakije en Polen waar Kratochvíl het dier vandaan beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Slowakije.





