Alle soorten › Insecteneters › Egels › West-europese egel
West-europese egel | Erinaceus europaeus
Western European Hedgehog | Erizo Europeo Occidental
De egel (Erinaceus europaeus) is een nachtactieve insecteneter van West- en Midden-Europa, met een stekelkleed op rug en flanken. De soort leeft vooral in randen van het landschap: bosranden, houtwallen, heggen, tuinen en dorpen. In een groot deel van het West-Europese kerngebied zijn de aantallen de afgelopen decennia sterk afgenomen; sinds 2024 staat de soort als gevoelig (NT) te boek.
Sporen
De soort wordt vaker via sporen vastgesteld dan via het dier zelf. De keutel is het meest gevonden spoor: 3 tot 5 cm lang, ongeveer 1 cm dik, cilindrisch en aan beide uiteinden stomp, zwart en licht glanzend als hij vers is, en vol met blauw- en groenglanzende dekschilden en pootjes van kevers. Hij ligt open op een gazon, een tegelpad of een bospad, nooit begraven en zelden op een verhoging; daarin verschilt hij van de gedraaide, puntig eindigende keutel van marterachtigen en van de keutel van de kat, die in losse aarde wordt begraven. Op kortgemaaid gras zijn daarnaast snuitputjes te vinden: kegelvormige gaatjes van 1 tot 2 cm diep en breed, met de neus in de zode gemaakt bij het zoeken naar emelten, meestal met tientallen bij elkaar. De prent is alleen in zachte modder of vochtig zand zichtbaar en is klein in verhouding tot het dier: ongeveer 2,5 tot 3 cm lang, met vijf tenen en scherpe, ver vooruitstekende nagelindrukken; de achtervoet is smaller en langer dan de voorvoet en drukt vaak alleen met de tenen af, zodat het spoor onregelmatig is en de prenten ver uiteen staan. Ook geluid is een spoor: een foeragerende egel snuift, blaast, smakt en ritselt in het blad, hoorbaar tot op ongeveer tien meter, en tijdens de balts in mei en juni maakt het mannetje een aanhoudend, hijgend gepuf terwijl het urenlang om het vrouwtje heen loopt; 's nachts in een tuin is dat geluid kenmerkend. Het nest ligt onder een takkenhoop, een stapel snoeihout, een schuur of een dichte braamstruik: een compacte, holle bal van dorre bladeren, ongeveer zo groot als een voetbal, in de winter tussen dood hout ingevlochten. Verkeersslachtoffers vormen de meest voorkomende waarnemingen van de soort.



In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een gedrongen, kortpotige insecteneter waarvan rug en flanken bedekt zijn met 5000 tot 7000 gladde, geelbruin en zwart geringde stekels van ruim 2 cm; kop, keel, buik en poten dragen grove, grijsbruine haren. De snuit is lang en spits en eindigt in een glanzend zwarte, beweeglijke neus; de oren zijn klein en steken nauwelijks boven de stekels uit; de ogen zijn klein en zwart. De poten zijn langer dan ze lijken: een lopende egel houdt de buik vrij van de grond en kan snel lopen. De staart is hooguit 4 cm lang en valt in het veld niet op. Bij gevaar rolt het dier zich op tot een gesloten bal waarin kop en poten volledig verdwijnen; buiten de egels doet geen ander Europees zoogdier dat. Mannetjes zijn gemiddeld groter en zwaarder dan vrouwtjes. Het gewicht varieert sterk met het seizoen, doordat een egel in de nazomer een vetlaag voor de winter aanlegt.
Gelijkende soorten
In Europa en Noord-Afrika komen naast de egel andere egelsoorten voor, die vooral op vacht en kop te onderscheiden zijn. De witborstegel (Erinaceus roumanicus) vervangt de egel vanaf Oost-Polen, Tsjechië en Oostenrijk oostwaarts; hij heeft een scherp begrensde witte vlek op borst en keel, tegenover de egaal grijsbruine onderzijde van de egel, en staat iets hoger op de poten. In de smalle contactzone door Midden-Europa is dat borstkenmerk het enige bruikbare kenmerk, en het is niet volledig betrouwbaar: er komen dieren voor die bij geen van beide soorten duidelijk passen, en hybriden zijn bekend. In Zuidoost-Spanje, op de Balearen, langs de Middellandse Zee en in de hele Maghreb leeft de Algerijnse egel (Atelerix algirus): kleiner, bleker, met langere poten, grote oren en een kale scheiding midden op de kruin waar de stekels uiteenwijken; dat laatste is het beste kenmerk. Het stekelvarken in Italië, Griekenland en Noord-Afrika is veel groter en zwaarder en heeft lange, zwart-wit geringde pennen; verwarring is alleen op grote afstand mogelijk.
Leefgebied
Kleinschalig landschap met randen: loofbos met een dikke strooisellaag en vooral bosranden, houtwallen, heggen, dijken, ruige perceelsranden, extensief grasland, boomgaarden en duinstruweel, en daarnaast door mensen gemaakte vergelijkbare terreinen: tuinen, parken, begraafplaatsen, volkstuinen, campings en boerenerven. Dicht naaldbos, uitgestrekte natte gebieden, open akkerland zonder randen en het hooggebergte worden gemeden; in de Alpen komt de soort nauwelijks boven de boomgrens. De egel heeft dekking nodig om overdag te rusten en een vochtige bodem met veel wormen en insecten om 's nachts te foerageren; daardoor herbergt een dorp met tuinen vaak meer egels dan het aangrenzende bos.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
West- en Midden-Europa, van Noord-Spanje en Italië tot ver in Scandinavië, met een oostgrens door Polen en de Baltische staten. Op het Iberisch Schiereiland bezet hij ruwweg de noordelijke helft: het Cantabrisch gebied, Galicië, Portugal, de Pyreneeën, Catalonië en het Ebrodal; naar het zuiden en oosten wordt hij schaarser en vervangen door de Algerijnse egel. De precieze verdeling van beide soorten in het midden van het schiereiland is onvoldoende bekend. Op de Canarische Eilanden ontbreekt de soort. In Groot-Brittannië komt hij op het hele vasteland en op veel eilanden voor; in Ierland, waar hij door mensen is ingevoerd, waarschijnlijk in de middeleeuwen, is hij eveneens wijdverspreid. Op de Buiten-Hebriden (Uist) zijn ingevoerde egels een probleem voor broedende steltlopers geworden. In Nederland en België komt hij vrijwel overal voor, met de hoogste dichtheden in kleinschalig landschap, dorpen en stadsranden, lage dichtheden in open, intensief bewerkte kleipolders, en ontbreekt hij op de meeste Waddeneilanden. Tellingen in Groot-Brittannië, Ierland, Nederland en België laten sinds omstreeks 2000 een aanhoudende afname zien, het sterkst op het platteland; in Groot-Brittannië is de plattelandspopulatie sinds 2000 ongeveer gehalveerd, terwijl de populaties in stedelijke tuinen stabieler zijn.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief; de egel verlaat het dagnest kort na zonsondergang en legt per nacht 1 tot 2 km af, mannetjes meer dan vrouwtjes. Het voedsel bestaat uit grote ongewervelden: keverlarven, loopkevers, oorwormen, rupsen, regenwormen, duizendpoten en naaktslakken, aangevuld met aas, afgevallen fruit en soms een nest jonge muizen of vogeleieren. Melk wordt niet verdragen. Vanaf april baltsen de mannetjes; na een draagtijd van ongeveer vijf weken worden in juni of juli vier tot vijf jongen geboren, blind en roze, met zachte witte stekels die binnen enkele uren doorbreken. Na ongeveer zes weken lopen ze met het vrouwtje mee en kort daarna zijn ze zelfstandig. Jongen uit een tweede worp in september bereiken zelden het gewicht dat nodig is om de winter te overleven. De egel houdt een echte winterslaap: van ongeveer november tot maart daalt de lichaamstemperatuur tot enkele graden boven de omgevingstemperatuur en klopt het hart enkele keren per minuut. In die periode wordt het dier enkele keren wakker en verhuist dan soms naar een ander nest. Dieren van minder dan een halve kilo overleven de winter zelden. In het wild worden weinig egels ouder dan drie jaar; zeven jaar is uitzonderlijk.
Waar en wanneer kijken
Ga vanaf een half uur na zonsondergang in een tuin of park zitten en luister: een egel is meestal eerder te horen dan te zien. Mei en juni zijn de beste maanden, omdat dan 's nachts het baltsgepuf te horen is; augustus en september leveren de meeste waarnemingen op, omdat de jonge dieren dan rondzwerven. Een wildcamera bij een doorgang in de schutting of bij een schaal water levert in een gewone tuin vaak binnen een week beelden op. Zoek overdag naar keutels op het gazon en snuitputjes in de zode; die wijzen op de aanwezigheid van een egel, ook zonder zichtwaarneming. Een egel die overdag rondloopt, is ziek, gewond of een moederloos jong en moet naar een opvangcentrum.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT, 2024). In 2024 is de soort van niet bedreigd naar gevoelig gezet, nadat tellingen in Groot-Brittannië, Vlaanderen, Nederland en Duitsland lieten zien dat de soort in het grootste deel van het West-Europese kerngebied al decennia achteruitgaat. De oorzaken hangen samen met menselijk landgebruik: verkeer, het verdwijnen van houtwallen en ruige randen, de afname van insecten, versnippering door tuinen met gesloten schuttingen, robotmaaiers en bosmaaiers die 's nachts in de vegetatie worden gebruikt, en nieuwbouwwijken zonder dekking. Maatregelen zijn eenvoudig: een opening van 13 bij 13 cm onder in de schutting verbindt tuinen tot één leefgebied, een hoek met bladeren en snoeihout biedt een winternest, en niet maaien in het donker voorkomt verwondingen en sterfte.
Wetenschappelijke naam
Erinaceus europaeus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Erinaceus is het Latijnse woord voor 'egel'. europaeus is Latijn voor 'Europees'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Gotland.






